Op een exemplaar van La Divina Commedia geschreven, Victor Hugo (vertaling)

Dante

Ik zag op zekere avond een man voorbijkomen,
In een ruim gewaad gehuld, als een consul in Rome.
Zijn gestalte stak donker af tegen de heldere lucht.
Toen hield hij halt en bekeek mij geducht
Met een intense, wild ogende blik.
En hij zei me: In vroeger tijden was ik
Een hoge berg die heel de horizon vulde
Tot ik, blind van geest nog, ontkomen wilde.
Op de schaal der wezens een graad gestegen,
Werd ik een eik, priester en altaar genegen
En liet ik mijn loof raadselachtig ruisen.
Toen werd ik een leeuw, loom de savanne doorkruisend
En grauwend naar de nacht met haar duistere kanten.
Nu ben ik een mens – en mijn naam is Dante.

Victor Hugo

(Eigen vertaling uit het Frans)

 

Het waren drie studenten nog

Het waren drie studenten nog
-In weinig woorden vertel ik het toch.-
Hun huisbaas bracht ze om bij nacht,
Verborg hun lijken en nam alles af.
Sint Nicolaas heeft het van God gehoord,
En was terstond op de plaats van de moord.
Hij eiste bij de hospes de jongens terug,
Deze, ontmaskerd, toonde ze vlug.
Sint Nicolaas’ gebed had zoveel kracht
Dat het de ziel in de lichamen terugbracht.
Omdat hij de studenten zo wist te plezieren
Zouden ze elk jaar zijn naamdag vieren
Met mooie voordrachten en gezangen
Over Sint ’s wonderrijke gangen.

(Eigen vertaling)

Francesco Pesellino

Treis clercs alouent a escole.
-N’en ferai mie grant parole.-
Li ostes par nuit les occist,
Les cors musçat, l’aver en prist.
Seint Nicholas par Deu le sout,
Sempres fu la si cum Deu plout.
Les clercs a l’oste demandat,
Nes pout celer si les mustrat.
Seint Nicholas par sa preere
Mist les almes el cors arere.
Pur ceo qu’as clercs fit cel honur
Funt li clercs la feste a son jur
De ben lirë et ben chanter
Et des miracles reciter.

Twaalfde-eeuwse tekst uit Normandië

Bron: Sint-Nicolaasliederen, Henk van Benthem, Acco Amersfoort/Leuven 1991

Dichter naast God (over Stevie Smith)

Ik ben atheïst, maar ik doe er niet zoveel meer aan. Met dit grapje hoef je tegenwoordig niet meer aan te komen.  Er is -vooral als reactie op de opkomst van de politieke islam en de nasleep van nine-eleven – een nieuwe generatie vrijdenkers opgestaan, zoals de Britse filosoof Richard Dawkins en een auteur als Jaap van Heerden in ons eigen land, die in een vloed van publicaties munitie aandraagt om het geloof in het bestaan van een God eens en voor altijd op te blazen.

De door mij bewonderde dichteres Stevie Smith (1902-1971) was een overtuigd agnost, die niettemin voortdurend en ernstig met de godsvraag bezig was, zoals blijkt uit de vele religieuze gedichten die zij heeft nagelaten in haar Collected Poems. Opgegroeid in de warme en symboolrijke geborgenheid van de Anglicaanse kerk, bleef ze haar hele leven naar de liefhebbende God verlangen, die ze als volwassene vooral op morele gronden meende te moeten afwijzen. Deze intense spanning tussen verlangen en ontkenning levert boeiende en vaak schrijnende poëzie op, die voor een moderne post-gelovige of postmoderne gelovige heel herkenbaar en navoelbaar is.

In haar essay De noodzaak om niet te geloven uit 1958 maakte Stevie duidelijk, hoe moeilijk het haar viel deze levenskeuze vol te houden. Vooral voor een ongelovige ‘met een religieus temperament‘ is het leven saai en eentonig zonder religie. In het bijzonder de christelijke, die zo vol drama en sensatie zit ‘met haar kansen op eeuwig leven en eeuwige verdoemenis en haar demonische drang om de baas te spelen, beperkingen op te leggen en te intimideren en vooral haar zoete belofte van een hemelse Vader.

In een berucht geworden gedicht uit 1964, How Do You See, wijst de dichter de in haar ogen valse troost van het geloof af. Als we niet gauw onze kinderen leren goede mensen te worden zonder de betovering van mooie sprookjes. ‘Dan denk ik dat de oneerlijkheid zo onverdraaglijk voor ons wordt, dat we -met de wapens die we hebben- iedereen zullen vermoorden.‘ Een profetische waarschuwing, zo lijkt het anno 2009. Zou het geweld van groeperingen als Al Qaida en de Taliban niet zozeer door religieuze ijver als wel door door religieuze twijfel worden gemotiveerd? Een interessante gedachte voor wie dit soort geweld wil bestrijden of voorkomen.

Toch bleef Stevie Smith haar leven lang wankelen tussen geloof en ongeloof, zoals blijkt uit haar magistrale gedicht God the Eater, dat begint met deze paradoxale eerste strofe (in mijn eigen vertaling):

Er is een god waarin ik niet geloof
Toch reikt mijn liefde naar deze god
Deze god waarin ik niet geloof
Is mijn hele, hele leven en ik het zijne

(I warmly thank Ms Anne Bryan from the UK for her kind permission to let me quote abundantly from her inspiring essay on Stevie and God.)