De kraanvogels


De westenwind heeft maar een paar dagen gewaaid;
Toch dwarrelen de eerste bladeren al van de takken.
Over de opdrogende paden loop ik in mijn lichte schoenen;
Nu met de eerste kou heb ik mijn gewatteerde mantel aangedaan.
Ondiepe greppels voeren de stromen regenwater af;
Door spaarzaam groeiend bamboe heen sijpelt strijklicht.
In de vroege avondschemering leidt de tuinjongen,
Langs een groen bemost laantje, de kraanvogels naar huis.

Po Tsjü-i (AD 830)
(Eigen versie naar een Engelse vertaling van het Chinese origineel)