Categorieën
Dichters Gedichten Humor

Een ode aan Kees Stip

Het eerbetoon van schrijver/dichter Ivo de Wijs aan plezierdichter Keest Stip op tv bij Mathijs gaat door inspireerde mij tot herlezing van het hierboven afgebeelde boekje. Dit literair kleinood werd uitgegeven in 1956 bij L.J.C. Boucher ’s-Gravenhage, fraai voorzien van vignetten van Jean Paul Vroom. Het bleef niet bij lezen alleen: ik waagde de poging om zelf ook twee dierenversjes te maken, in de trant van Trijntje Fop.

Op een walrus

Een walrus op een eenzaam wad
Had graag een lieve vrouw gehad.
Hij tuurde elke dag rondom
Of ergens niet zo’n leukerd zwom.
Zag wel een lagerwalrussin.
Daar zat voor hem geen toekomst in.

Op een pauw

Een trotse pauw uit Overveen
Heeft graag veel kijkers om zich heen.
Zijn ijdelheid wordt vaak beloond:
Als hij zijn pauwenpluim vertoont,
Vergapen zich – ‘t is ongelogen –
Wel zeker honderdvijftig ogen!

Categorieën
Dichters

De oude dag

Po Chü-i

(Voor Liu-Yü-hsi, die in hetzelfde jaar geboren is)

We worden samen oud, jij en ik;
Laten we eens nagaan: hoe is het om oud te zijn?

Het moede oog valt toe, voordat het avond is;
Het duffe hoofd, nog ongekamd op het middaguur.

Steunend op een stok, soms een ommetje buiten;
Of de hele dag binnen op een stoel, met de deur op slot.

Je vermijdt een blik in de grijnzend gladde spiegel;
Je kunt geen boeken meer lezen met kleine letters.

Dieper en dieper, de liefde voor je oude kameraden;
Steeds zeldzamer, de omgang met jonge mensen.

Maar één ding is nog altijd even geweldig:
Het gezellig keuvelen, als we elkaar weer treffen.

Po Chü-i (772-846)

(Eigen versie naar een Engelse vertaling uit het Chinees)

Categorieën
Dichters

Toen hij hoorde dat zijn vriend terugkwam van de oorlog

Vijver Wilhelminapark (januari 2022)

Vroeger kregen de mannen die gingen vechten
Om de drie jaar een jaar verlof.

Maar in deze oorlog wisselt men de soldaten nooit.
Ze moeten doorvechten tot ze sneuvelen op het slagveld.

Ik moest aan jou denken, zo zwak en indolent,
Terwijl je uit alle macht probeert te oefenen en te marcheren.

Dat een jonge vent nog ooit thuis zou komen
Leek net zo onwaarschijnlijk als dat de hemel omlaag zou vallen.

Sinds ik het nieuws hoorde dat je terug zou keren
Ben ik tweemaal de helling opgegaan naar de hoge muur van je huis.

Ik vond er je broer, bezig met het opknappen van jouw paardenstal.
En ik trof er je moeder, die nieuwe kleren voor je naaide.

Ik ben half-bang dat het misschien niet waar is.
Toch word ik nooit moe de straat op te gaan om naar je uit te kijken.

Elke dag wandel ik met een fles wijn naar de Stadspoort,
Voor het geval je dorst hebt wanneer je aankomt.

O kon ik het aardoppervlak maar laten krimpen,
Zodat ik je ineens naast mij zag staan!

Wang Chien (756-835)

(Eigen versie naar een Engelse vertaling uit het Chinees)