
In een ‘straatbieb’ trof ik een vergeeld exemplaar aan van een bijzonder boek uit 1991: een Engelstalige bloemlezing met niet minder dan 3.250 literaire citaten van een groot aantal auteurs over 200 onderwerpen van de meest uiteenlopende aard. Samengesteld door Meic Stephens (1938-2018), een dichter (o.a.) uit Wales.
Ruim zeven bladzijden zijn gewijd aan de lemma’s ‘poet’ en ‘poetry’. Ik heb er hieronder (in eigen vertaling) een aantal saillante citaten van beroemde dichters aan ontleend. Wie weet prikkelt hun inhoud de lezer om op zoek te gaan naar een (al dan niet tweedehands) exemplaar van dit onderhoudende en leerzame boek.
Waarachtige poëzie spreekt je aan voor je haar begrijpt. (T.S. Eliot)
Het is veel gemakkelijker om te zeggen wat poëzie niet is dan wat het wel is. We weten allemaal wat licht is; maar het is niet eenvoudig te zeggen wát het is. (Laurence Sterne)
Volgens mij bestaan er geen lange gedichten. De uitspraak ‘een lang gedicht’ is een contradictio in terminis. (Edgar Allan Poe)
Ik denk dat we veel betere poëzie zouden hebben, wanneer deze als zondig en subversief werd beschouwd en als iets dat je onder je kussen zou moeten verbergen, als er iemand binnenkwam. (Philip Larkin)
Poëzie is een fazant die in het struikgewas verdwijnt. (Wallace Stevens)
Een ware dichter voelt geen behoefte om poëtisch te schrijven. Een bloemenkweker ruikt zijn rozen ook niet. (Jean Cocteau)
Een slecht persoon kan geen goede dichter zijn. (Boris Pasternak)
Een dichter hoort een professor in hoop te zijn. (Jean Giono)
Voor een dichter bestaat er niets dat geen waarde heeft. (Samuel Johnson)

