
Ooit klonk mij het gezoem
van ontelbare bijen, in
rijen bloeiende acacia’s,
als muziek in de oren.
De ervaring van toen
zou zich niet meer herhalen.
Wat bleef: bewondering
voor alles wat leeft.

Ooit klonk mij het gezoem
van ontelbare bijen, in
rijen bloeiende acacia’s,
als muziek in de oren.
De ervaring van toen
zou zich niet meer herhalen.
Wat bleef: bewondering
voor alles wat leeft.
De één gaat gebukt
onder de ballast van zijn bezit,
de ander onder de druk
van het dagelijks gebrek.
Beiden ongelukkig
en blind voor elkaars lot,
hebben ze verlichting nodig,
door de mens, of door God.






