Als ons oog er niet geschikt voor was, Kon het de zon nooit vangen in zijn blik; Als niet Gods eigen kracht in ons zat, Hoe raakten wij ooit van Hem verrukt?
GOETHE
Wär nicht das Auge sonnenhaft, Die Sonne könnt’ es nie erblicken; Läg nicht in uns des Gottes eigne Kraft, Wie könnt’ uns Göttliches entzücken?
(Verbeterde vertaling van een eerdere, op 5 februari 2019 gepubliceerde, versie.)
Onze Turks-Nederlandse landgenoot Ali Serik is een dichter met een missie. Dat blijkt opnieuw uit zijn pas verschenen nieuwe bundel De barbaren van de liefde, die maar liefst 85 gedichten bevat. In bloemrijke taal confronteert hij de lezer met de vele vormen van onrecht en geweld in het huidige tijdsgewricht. Hij doet dit vanuit een sterk historisch besef, dat vele eeuwen terug reikt en eerder door hem magistraal werd verwoord in zijn vorige epische bundel, De zachte veren van de tijd.
Toch is er in mijn beleving een belangrijk verschil met de vorige bundel(s). De barbaren van de liefde is naar mijn gevoel zijn meest persoonlijke bundel, naar vorm en inhoud. In de meeste gedichten is de dichter als subject zelf aan het woord en laat hij de lezer als het ware in zijn ziel kijken. Bij de aanklacht tegen de wereld laat hij zichzelf niet buiten schot. De scheidslijn tussen dader en slachtoffer is minder scherp dan wij ons als getuigen van het wereldleed voorhouden.
Het persoonlijke karakter van de gedichten wordt versterkt door het hanteren van de kleine letter in de titels en gedichten en het uiterst schaars gebruik van leestekens. De bundel ademt daardoor een eenvoudige en transparante sfeer die het leesplezier verhoogt. Maar de inhoud biedt ook volop spanning en avontuur. De dichter kruipt onder meer in de huid van een astronaut, een soldaat, een conducteur, een wereldreiziger, een automobilist, minnaar, vader, vriend, uit de dood opgestane, ja zelfs een tafel. Dit alles om in allerlei toonaarden en situaties de absurditeit en wreedheid van de mensenwereld te illustreren. Net als in vorige bundels is De barbaren van de liefde doortrokken van pijn, verontwaardiging en verbijstering om het gruwelijke lot van vluchtelingen, oorlogsslachtoffers en andere levende wezens. Maar het verlangen naar liefde komt, zij het minder dominant, hier en daar ook aan bod.
Het mooie van deze bundel vind ik dat je de gedichten naar willekeur kunt opslaan om te lezen. Niet omdat het allemaal los zand is, maar omdat elk vers in verband staat met de andere. Je kunt dan ook lang plezier hebben van deze robuuste bundel, om je al bladerend telkens weer te laten inspireren en raken door de scherpe blik en politiek gemotiveerde Weltschmerz die de dichter via zijn verzen met je deelt. En door zijn – ondanks alle cynisme – vasthoudende hoop ‘dat het toch goed komt met de aarde’, zoals in het laatste gedicht ‘samen’ viermaal wordt herhaald.
Als voorproefje en ter illustratie van deze warm aanbevolen uitgave (voor 15 euro te bestellen via http://www.kelbo.nl of bij de boekhandel of elders online) heb ik twee gedichten uitgekozen.
vroeger
vroeger was alles beter je had geen Spaanse griep geen covid-19. Rotterdam was nog niet gebombardeerd Spartacus was nog vrij man Eva leefde nog in het paradijs Roodkapje huppelde vrolijk door het bos de Ottomaanse sultan heerste over het rijk vroeger was alles beter
vrouwen waren blij als hun kind meteen werd gedoopt. mannen wreven in hun handen wanneer ze een goede landheer hadden. dienstmeisjes waren opgelucht als ’s nachts de zoon van de heer niet bij hen in bed kroop.
vroeger was alles beter als heks was je blij als je de brandstapel ontliep een scheepsjongen mocht gelukkig zijn als hij oud werd genoeg mannen en vrouwen konden hard rennen zodat ze niet verstrikt raakten in de netten van de slavenhandelaar. Londen stonk naar riool bacteriën verspreidden zich door de modder.
einde van de oorlog
toen ik terugkeerde als soldaat laarzen versleten veldfles gevuld met slechte jenever zag ik vanaf de heuvel de stad. verzwakte bomen zwaaiden met gebroken takken uitgemergeld lag de kleine haven voor de zee.
schoorstenen vervloekten nog steeds de vijand doodmoe bereikten de wegen de stad huizen stonden als bomen naast bomen zwarte bomen die de brand in het bos niet hadden overleefd.
op het moment dat ik de stad binnenliep zag ik in de ogen van de overlevenden dat ik deze stad had belegerd dat op mijn bevel de artillerie het vuur geopend had op mijn last alle mannen waren afgevoerd.
ik zag vrouwen puinruimen proberen met wonden in handen de pijn te begraven voor onze deur zag ik mijn vrouw ik omhelsde haar vol verlangen ze vroeg in tranen waarom ik haar in de oorlog had verkracht.
In een ‘straatbieb’ trof ik een vergeeld exemplaar aan van een bijzonder boek uit 1991: een Engelstalige bloemlezing met niet minder dan 3.250 literaire citaten van een groot aantal auteurs over 200 onderwerpen van de meest uiteenlopende aard. Samengesteld door Meic Stephens (1938-2018), een dichter (o.a.) uit Wales.
Ruim zeven bladzijden zijn gewijd aan de lemma’s ‘poet’ en ‘poetry’. Ik heb er hieronder (in eigen vertaling) een aantal saillante citaten van beroemde dichters aan ontleend. Wie weet prikkelt hun inhoud de lezer om op zoek te gaan naar een (al dan niet tweedehands) exemplaar van dit onderhoudende en leerzame boek.
Waarachtige poëzie spreekt je aan voor je haar begrijpt. (T.S. Eliot)
Het is veel gemakkelijker om te zeggen wat poëzie niet is dan wat het wel is. We weten allemaal wat licht is; maar het is niet eenvoudig te zeggen wát het is. (Laurence Sterne)
Volgens mij bestaan er geen lange gedichten. De uitspraak ‘een lang gedicht’ is een contradictio in terminis. (Edgar Allan Poe)
Ik denk dat we veel betere poëzie zouden hebben, wanneer deze als zondig en subversief werd beschouwd en als iets dat je onder je kussen zou moeten verbergen, als er iemand binnenkwam. (Philip Larkin)
Poëzie is een fazant die in het struikgewas verdwijnt. (Wallace Stevens)
Een ware dichter voelt geen behoefte om poëtisch te schrijven. Een bloemenkweker ruikt zijn rozen ook niet. (Jean Cocteau)
Een slecht persoon kan geen goede dichter zijn. (Boris Pasternak)
Een dichter hoort een professor in hoop te zijn. (Jean Giono)
Voor een dichter bestaat er niets dat geen waarde heeft. (Samuel Johnson)
Ik ben ervan overtuigd, dat elke ware dichter oorlog haat. Zoals Leo Vroman, die zijn lange gedicht OORLOG afsloot met deze drie strofen:
Soldaten, schater om je potentaat, er is geen ware vijand meer, schater om het politiek beheer en overstem hun haatgepraat, maak hun krijgspapieren zoek, verbeeld je hun ballen in je oren om hun kallen niet te horen maar laat ze bungelen in hun broek.
Er bestaat geen oorlogsbuit er bestaan geen mensenrechten om gerechtloos voor te vechten, schei dan toch in God’s naam uit, er bestaat geen goede straf. Komt je hond niet als je fluit hak je dan zijn oren af? In God’s naam schei daar dan mee uit.
Doden kruipen langs de wegen, morgen valt een rode regen op je helmen, op je huid God ik kan daar niet meer tegen, God……in God’s naam schei toch uit.