Wandelen met Guido Gezelle


Hoe zoet is ‘t tusschen broederen twee
te wandelen, te wandelen,
bemint men van de twee den een
den een gelijk den anderen;
bemint men ze alle twee en zij,
beminnen ze malkanderen
gebroederlijk: ‘t is zoet erbij
te wandelen, te wandelen.

Een aanminnig ‘kleengedichtje’ van Guido Gezelle, uit een in 1860 verschenen verzamelbundel van deze nog altijd hoog gewaardeerde Vlaamse priester-dichter.
Gewandeld wordt er ook in onze tijd, meer dan ooit denk ik, al dan niet gebroederlijk, gezusterlijk, of genderneutraal😉.

Gezelle had een zwak voor sommige leerlingen op het kleinseminarie in Roeselare waaraan hij als docent was verbonden. Dit leverde niet alleen enkele onsterfelijke gedichten van zijn hand op, waarin hij de betreffende pupillen zijn (overigens platonische) liefde verklaarde, zoals het bekende gedicht Dien avond en die Rooze (https://nl.wikipedia.org/wiki/Dien_Avond_en_die_Rooze).
Het leidde echter mede ook tot zijn ontslag en overplaatsing door de hem niet welgezinde bisschop naar het Engels College in zijn geboorteplaats Brugge. Zijn laatste jaren sleet hij in een Engelstalig nonnenklooster in Brugge. Op het College en als rector van de aan zijn pastorale zorg toevertrouwde religieuzen, kon Gezelle een andere liefde van hem botvieren, namelijk voor de Engelse taal.

Naar aanleiding van Psalm 53

O dwaas, die het leven zinloos noemt
en het oorspronkelijk licht ontkent —
welk virus blindt je aangezicht
dat verder woekert en verdort?

Wat is het dat je ontkennen doet,
en dat geen weet heeft van kwaad en goed?
Wat schuilt er in je aards gemoed,
dat bitter leed verkiest boven ’t zoet?

Je kijkt om je heen, omhoog en omlaag:
niets dan leegte die je ziet.
Geen vader, moeder, waarheid in zicht —
de hel ben jij, met je zeurend verdriet.

Je zoekt niet en niets zul je vinden,
walging en afkeer zijn je deel —
woest en ledig, zonder vrienden,
O dwaas, die het leven zinloos noemt.

Deze krachtige reflectie op Psalm 53 werd geschreven door de dichter Simon Vinkenoog (1928-2009), paradijsvogel onder de Nederlandse poëten. Tegenwoordig zou hij een ‘Spoken Word artiest’ heten, evenals zijn collega Johnny van Doorn (1944-1991). Er is niets nieuws onder zon, om een Bijbelse wijsheid te citeren.

Ik trof de tekst aan in een speciale uitgave van het tijdschrift Parmentier, die in 1995 door de Nijmeegse uitgeverij SUN in samenwerking met de KRO werd uitgebracht, onder de titel: Nieuwe Psalmen, hedendaagse dichters vertalen psalmen. Het is een rijke bundel, met een inleiding door Kees Fens en poëtische bijdragen van niet minder dan 40 dichters. Waaronder deze prachtige van virusbestrijder Simon Vinkenoog.

Simon Vinkenoog (Bron: Wikipedia)

De dieren

De landman gaat, nu de avond is gevallen,
En de arbeid slaapt, voor ‘t laatst zijn hoeve rond;
Hij keurt het werk der knechts in schuur en stallen,
En als zijn schaduw volgt hem trouw de hond.

Hij toeft bij ‘t vee, en luistert hoe het ademt;
Rond schoft en horen hangt een warme damp,
Die met een geur van zomer hem bewademt,
En in een nimbus nevelt om de lamp.

Dan loopt hij tastend langs de ruif der paarden,
Verwelkomd door een dreunend hoefgeklop:
Hij spreekt hen aan, en streelt een ruig behaarden,
Een speelsch hem toegestoken manenkop.

En als hij eindlijk, rustig na ‘t volbrachte,,
De handen boven ‘t vlammend houtvuur heft,
Vervult hem nog de ontroerende gedachte
Aan wat rondom hem leeft en ‘t niet beseft,

Hij peinst, en leest in ‘t boek met koopren sloten
Het hoofdstuk uit, dat Noachs tocht beschrijft,
Hoe de arke met haar simpele reisgenooten
Lang op den oeverlooze zondvloed drijft.

Gansch in het wonderbaar verhaal verloren,
Terwijl hij mijmrend in den haardgloed staart,
Lijkt het hem of, door God daartoe verkoren,
Hij met zijn dieren over ‘t water vaart.

Een oud, maar nog altijd goed gedicht van Aart van der Leeuw (uit 1922), dat menige senior vertrouwd – én weemoedig – in de oren zal klinken. Het beschrijft de omgang tussen boer en dier uit een tijd dat landbouw en veeteelt nog een kleinschalig karakter hadden. Ik wil niet beweren dat men in de huidige bio-industrie per se minder respectvol omgaat met dieren. Maar de grootschaligheid hiervan maakt een intieme omgang tussen ‘landman’ en vee zoals in het gedicht beschreven, in onze tijd ondenkbaar. Tegelijkertijd kan het gedicht ook nu nog inspirerend zijn voor boeren die de keuze aandurven voor een kleinschalige, biologische productiewijze. Zij zouden ongetwijfeld de zegen krijgen van de dichter en zijn God.