Eerste glimlach van de Lente, Théophile Gautier

3DA1A547-C783-420E-8449-574495057DDE

Terwijl de mensen hijgend hun
Onverkwikkelijke bezigheden najagen,
Verkneukelt Maart zich, de buien ten spijt,
En bereidt stiekem het voorjaar voor.

Alles is nog in diepe rust,
Maar hij strijkt heimelijk kraagjes
En smeedt gouden knopjes
Voor de tere madeliefjes.

Pruikenmaker maart sluipt
Rond in boom- en wijngaard
En bepoedert de amandelboom met rijp
Met een kwast van zwanenveren.

De natuur rust nog in haar bed,
Maar maart trekt de kale tuin in
En rijgt er de rozenknoppen
In hun korset van groen fluweel.

Terwijl hij melodieën componeert
En zachtjes voorfluit aan de merels,
Zaait hij sneeuwklokjes in de weiden
En viooltjes in de wouden.

Op de sterrenkers van de bron
Waaruit herten drinken, oren op scherp,
Beroert hij de zilveren meiklokjes
Met zijn onzichtbare hand.

In het gras plant hij voor jou
Rijprode aardbeien om te plukken
En vlecht een hoed van bladeren
Om je tegen de zon te beschermen.

Als zijn taak er eenmaal op zit
En zijn heerschappij ten einde loopt,
Draait hij zich om, op de drempel van april
En zegt: “Je kunt nu komen, Lente!”

Eigen vertaling van:

Premier Sourire du Printemps

Tandis qu’à leurs oeuvres perverses
Les hommes courent haletants,
Mars qui rit, malgré les averses,
Prépare en secret le printemps.

Pour les petites pâquerettes,
Sournoisement lorsque tout dort,
Il repasse des collerettes
Et cisèle des boutons d’or.

Dans le verger et dans la vigne,
Il s’en va, furtif perruquier,
Avec une houppe de cygne,
Poudrer à frimas l’amandier.

La nature au lit se repose;
Lui, descend au jardin désert
Et lace les boutons de rose
Dans leur corset de velours vert.

Tout en composant des solfèges,
Qu’aux merles il sifle à mi-voix,
Il sème aux prés les perce-neiges
Et les violettes aux bois.

Sur le cresson de la fontaine
Où le cerf boît, l’ oreille au guet,
De sa main cachée il égrène
Les grelots d’argent du muguet.

Sous l’herbe, pour que tu la cueilles,
Il met la fraise au teint vermeil,
Et te tresse un chapeau de feuilles
Pour te garantir du soleil.

Puis, lorsque sa besogne est faite,
Et que son règne va finir,
Au seuil d’avril tournant la tête,
Il dit: “Printemps, tu peux venir!”

Théophile Gautier (1811-1872)

Rondeel van Charles d’Orléans over de komst van de lente

IMG_0370

Het weer heeft zijn jas uitgedaan
Van wind, winterkou en neerslag
En draagt nu een geborduurde omslag
Van zonnestralen, helder van baan.
Dieren en vogels gaan
Met eigen kreten of zang aan de slag:
Het weer heeft zijn jas uitgedaan
Van wind, winterkou en neerslag.
Rivier, fontein en beek gaan
In een livrei van zilveren pracht
Met druppels door goudsmid bedacht.
Ieder trekt nieuwe kleren aan.
Het weer heeft zijn jas uitgedaan
Van wind, winterkou en neerslag.

Eigen vertaling van:

Rondel

Le temps a laissé son manteau
De vent, de froidure et de pluie,
Et s’est vêtu de broderie
De soleil rayant, clair et beau.
Il n’y a bête ni oiseau
Qu’en son jargon ne chante ou crie:
Le temps a laissé son manteau
De vent, de froidure et de pluie.
Rivière, fontaine et ruisseau
Portent en livrée jolie
Gouttes d’argent d’orfévrerie;
Chacun s’habille de nouveau.
Le temps a laissé son manteau
De vent, de froidure et de pluie.

Charles d’Orléans (1391-1465)