Overpeinzingen over dichten en dichtkunst (4)

D319183F-9815-4E71-9492-A93D96F66A9A

Hoe gaat het maken van een gedicht in zijn werk?

Een dichter is geen verslaggever of predikant, maar in de eerste plaats iemand die graag met taal werkt. Een taalbewerker dus. Iemand die nieuwsgierig is wat je met taal kunt doen en vooral wat taal met jou kan doen. Zonder passie voor taal kun je niet dichten, laat staan goed dichten. Als je geluk hebt, helpt de taal je ook en roept het ene woord of beeld het andere op. Wat je na een geslaagde poging motiveert om opnieuw op ontdekkingsreis te gaan, op een leeg vel papier of beeldscherm.

Poëzie kan over alles gaan, van het kleinste zandkorreltje tot het universum en verder. Alles wat je weet, ziet, hoort, leest, ervaart kan aanleiding zijn tot het maken van een gedicht. De uitdaging is je gedachten en associaties zo oorspronkelijk en verrassend mogelijk te verwoorden. Ook voor poëzie geldt dat oefening kunst baart, als het meezit.

Hoe bevlogen een dichter ook moge zijn, elk gedicht is in de eerste plaats een constructie van taal, waarbij je bewuste keuzes moet maken wat betreft inhoud en vorm. Zoals eerder gezegd, het spontaan neerpennen van gevoelens levert nog geen gedicht op. Zelf schrijf ik ‘poëtische’ invallen meestal eerst op in gewone woorden, om vervolgens kritisch te kijken of bepaalde woorden, zinnen of beelden kunnen worden vervangen door een meer origineel taalgebruik of beeldspraak. Ook ga ik aan de slag om regellengtes, metrum en structuur van de tekst bij te schaven. Vaak heb ik pas na een aantal versies het gevoel dat het gedicht af is.

Het is verstandig de tekst een poosje terzijde te leggen. Bij het herlezen ontdek je dan in de regel vanzelf welke verbeteringen nodig zijn. Onontbeerlijk is daarbij de moed om te schrappen. De mooiste beelden of leukste vondsten zijn niet altijd de beste om van het gedicht de gewenste eenheid te maken. ‘Kill your darlings‘ heet dat in vakjargon.

Dichten is, kortom, een geweldige manier om met taal te werken, maar beslist niet gemakkelijker dan het schrijven van proza.

Overpeinzingen over dichten en dichtkunst (3)

FDA3755A-80C6-4351-80E3-B4535D67D84B

Wat maakt een tekst tot een (geslaagd) gedicht?

Als lezer en schrijver van gedichten heb ik een brede smaak. Vrije verzen zijn mij even lief als vaste versvormen en ze mogen evengoed humoristisch zijn als vol bittere ernst. Belangrijk vind ik vooral dat vorm en inhoud met elkaar kloppen.

Wat inhoud aangaat, vind ik het essentieel dat een gedicht meer is dan een beschrijving van waarnemingen of gevoelens. In een gedicht vindt als het goed is een verdichting van de werkelijkheid plaats, eventueel zelfs een bewuste verdraaiing. ‘Dichters liegen de waarheid’ is een gevleugelde uitspraak van Anton van Duinkerken. Dichter Ellen Deckwitz raadt beginnende dichters aan erop los te liegen. Enkele jaren geleden las ze in Almelo een ontroerend rouwgedicht over haar vader voor, terwijl haar beide ouders gezond en wel in de zaal zaten…

De woorden en beelden die de dichter hanteert dienen vooral te suggereren wat hij wil zeggen en de lezer ruimte te bieden om zelf de betekenislagen in de tekst te ontdekken. ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’, om een andere dichter te citeren (M. Nijhoff.) Het is niet genoeg om op te schrijven dat je verdrietig bent. Het is de kunst zo te schrijven dat de lezer verdriet ervaart. Zo schreef ik ooit een gedicht over eenzaamheid zonder het woord zelf te noemen. (Tik ‘Een zondag’ in in het zoekvenster.)

 

Overpeinzingen over dichten en dichterschap (2)

Waarom schrijft iemand gedichten?

Ik denk dat veel dichters die vraag niet zomaar kunnen beantwoorden. Ze zullen eerder geneigd zijn te vertellen, hoe ze er ooit toe gekomen zijn.

Bij mijzelf heeft het luisteren naar Franse chansons tijdens mijn middelbareschooltijd de liefde voor de poëzie wakker gemaakt. Ik zong ze op feestavonden van de school en schreef over mijn geliefde chansonniers, zoals Georges Brassens, Anne Sylvestre, Guy Béart, Jacques Brel, Barbara en Léo Ferré, in de schoolkrant. Als student kocht ik vervolgens mijn eerste dichtbundels en werd ik geraakt door het werk van o.a. Guido Gezelle, Leo Vroman, Jan Hanlo, Hans Lodeizen, Adriaan Morriën, JC van Schagen, Ida Gerhardt, Hans Faverey, Lucebert, JC Bloem, Gerrit Achterberg.

Door het lezen van deze dichters kreeg ik lust om ook zelf te gaan dichten. Het lezen van dichters die je aanspreken is misschien wel de beste manier om zelf te leren dichten. In hun voetsporen probeer je vervolgens je eigen stem en stijl te ontdekken, in het omvangrijke en veelstemmige koor van oude en nieuwe dichters. Het mooiste compliment dat ik na de publicatie van mijn eerste ‘serieuze’ dichtbundel (Als ik 50 word) kreeg, kwam van een collega die zei dat ze bij het lezen van mijn gedichten aldoor mijn stem hoorde. Dat was voor mij een enorme stimulans om ermee door te gaan.

Ik zal niet het record bereiken van de Amerikaanse dichter William Stafford, die vanaf zijn vijftigste niet minder dan 22.000 gedichten schreef, waarvan hij er circa 3000 publiceerde. Maar een duizend of wat hoop ik toch te halen. Waarom niet? Een tekenaar, beeldhouwer of schilder maakt immers ook zoveel mogelijk werk, dag in dag uit. Waarom zou een dichter dat ook niet doen? Ook het vertalen, in feite vaak herdichten, van werk van buitenlandse dichters vind ik een boeiende uitdaging. Gedichten van de Duitse dichter Hermann Hesse bijvoorbeeld, die het betreurde dat men liever zijn romans las dan zijn gedichten. Van hem wil ik tot besluit graag twee mooie uitspraken citeren, uit brieven aan een vriend, over het schrijven van gedichten.

Poëzie schrijf je voor jezelf, zonder ook maar een ogenblik aan de lezers te denken, terwijl men een roman alleen kan schrijven als men zich bij het schrijven een zekere voorstelling maakt van degenen die men wil aanspreken en van de middelen die daarbij effect sorteren.

Het schrijven van slechte gedichten kan iemand veel gelukkiger maken dan het lezen van de allermooiste.

(Wordt vervolgd)