De oude dag

Po Tsjü-i

(Voor Liu-Yü-hsi, die in hetzelfde jaar geboren is)

We worden samen oud, jij en ik;
Laten we eens nagaan: hoe is het om oud te zijn?

Het moede oog valt toe, voordat het avond is;
Het duffe hoofd, nog ongekamd op het middaguur.

Steunend op een stok, soms een ommetje buiten;
Of de hele dag binnen op een stoel, met de deur op slot.

Je vermijdt een blik in de grijnzend gladde spiegel;
Je kunt geen boeken meer lezen met kleine letters.

Dieper en dieper, de liefde voor je oude kameraden;
Steeds zeldzamer, de omgang met jonge mensen.

Maar één ding is nog altijd even geweldig:
Het gezellig keuvelen, als we elkaar weer treffen.

Po Tsjü-i (772-846)

(Eigen versie naar een Engelse vertaling uit het Chinees)

Toen hij hoorde dat zijn vriend terugkwam van de oorlog

Vijver Wilhelminapark (januari 2022)

Vroeger kregen de mannen die gingen vechten
Om de drie jaar een jaar verlof.

Maar in deze oorlog wisselt men de soldaten nooit.
Ze moeten doorvechten tot ze sneuvelen op het slagveld.

Ik moest aan jou denken, zo zwak en indolent,
Terwijl je uit alle macht probeert te oefenen en te marcheren.

Dat een jonge vent nog ooit thuis zou komen
Leek net zo onwaarschijnlijk als dat de hemel omlaag zou vallen.

Sinds ik het nieuws hoorde dat je terug zou keren
Ben ik tweemaal de helling opgegaan naar de hoge muur van je huis.

Ik vond er je broer, bezig met het opknappen van jouw paardenstal.
En ik trof er je moeder, die nieuwe kleren voor je naaide.

Ik ben half-bang dat het misschien niet waar is.
Toch word ik nooit moe de straat op te gaan om naar je uit te kijken.

Elke dag wandel ik met een fles wijn naar de Stadspoort,
Voor het geval je dorst hebt wanneer je aankomt.

O kon ik het aardoppervlak maar laten krimpen,
Zodat ik je ineens naast mij zag staan!

Wang Chien (756-835)

(Eigen versie naar een Engelse vertaling uit het Chinees)

Redetwistend

Landschap Noord-Albanië juni 2010

Voor M. die vandaag 66 wordt

De klassieke filosofen beweerden dat vriendschap nooit blijvend kan zijn.
We wandelen met een paar oude vrienden over zacht glooiende berghellingen,
En discussiëren over de vraag hoe ze ontstaan zijn. De wind doet onze jassen opbollen.
Er gaat een uur voorbij, dan zien we dat we met geheven wandelstokken staan te zwaaien.
We zijn buiten adem. We moeten ruzie gemaakt hebben!
Sommige profetieën die je ooit gehoord hebt, komen uit.
Snel laten we het onderwerp rusten en openen onze picknickmanden
En schenken de wijn in. Wat zou het treurig zijn om in je eentje te drinken!
Iemand draagt een gedicht voor over hoe verdrietig het is van elkaar gescheiden te zijn.
Kennelijk hadden die illustere wijzen het niet altijd bij het rechte eind.

Tao Chung Yu, 18e (?) eeuw

(Vertaald uit het Engels)