Als eierschalen

Fjordenpaarden

Bladerend in mijn inmiddels vergeelde uitgave uit 1972 (vierde druk) van de Verzamelde Gedichten van Gerrit Achterberg stuit ik op het gedicht ‘Dood paard’. Ik herinner mij hoe ik bij eerste lezing getroffen werd door één verrassend beeld: ‘ogen als eierschalen’. Ook nu raakt het me weer.
De dichter groeide op op het platteland en werd bij het schrijven van dit gedicht wellicht geïnspireerd door een herinnering uit zijn jeugd.
Paarden doen mij altijd denken aan mijn vader, die een grote liefde koesterde voor paarden. Een paard heeft benen, een koe heeft poten, placht hij te zeggen om ons als kinderen het respect voor deze diersoort in te prenten. Ik denk dat de aanblik van een dood paard hem oprecht verdriet deed. Net als de dichter (vermoed ik) al gebruikt deze in zijn vers wel de woorden ‘poten’ en ‘bek’.

Met mijn vader in herinnering, laat ik hier graag het laatste gedicht uit Achterbergs dichtbundel Osmose (1941) lezen.

DOOD PAARD

Hij is ineens van hout.
De warme buik is koud.
Zo wordt de wereld oud.
Zijn poten zijn te kort.
Er ligt haver gemorst
buiten de bek, die nog voor kort
je vingers fijn kon malen.
Zijn gele tanden briesen
tegen die hem de dood in bliezen.
Ogen als eierschalen.
De vilder komt hem halen.

Een portret van een hond als een oude vent

Toen zijn baasje in 2000 doodging en een nieuw gezin
hun Moskouse appartement betrok,
voegde hij zich bij zwerfhonden in het park.
’s Zomers was er genoeg te eten, kinderen lieten
vaak boterhammen, hotdogs en ander etenswaar slingeren.
Hij had trouwens niet veel trek,
want hij miste zijn vroegere maat nog steeds.
En hij was oud, de dames wonden hem niet meer op,
hij verbrandde geen calorieën meer met achter ze aan te jagen.
Toen werd het winter en kwamen er geen kinderen meer in het park.
Hij kwam op het idee om afval te gaan eten,
maar vanaf het moment dat hij begon te rommelen in de
overvolle vuilcontainer zei een stem
in zijn hoofd: ‘Nee, Rex!”
De restanten van een goede opvoeding verzwakken
onze natuurlijke overlevingskansen.

Ik zag hem weer in het vroege voorjaar van 2001.
Hij zag er fantastisch uit. Hij werd grijs, wat hem goed stond.
Zijn donkere herdersogen straalden helder als die van een puppy.
Ik vroeg hem hoe hij zich in leven hield
in deze nieuwe vrijemarkt-toestand
waarin zelfs de menselijke soort aan ondervoeding leed.
Als reactie vertelde hij mij zijn verhaal:
hoe hij in het begin dacht dat het leven zonder zijn baasje
niet de moeite waard was en hoe degenen
die hem eerst aanhaalden als hun huisdier
hem vervolgens lieten vallen en hoe hij op een nacht
een openbaring kreeg.

Zijn baas bezocht hem in zijn slaap,
tikte hem op zijn magere nek en zei:
“Laten we gaan winkelen!” De volgende morgen namen ze dus de metro
en gingen naar de markt
waar ze ’s zondags altijd naartoe gingen en
kooplui hem herkenden en wat lekkers gaven,
wat hij zich goed liet smaken.
“Misschien moet je wat dichter bij die buurt gaan leven?”
opperde ik voorzichtig – “Nee, ik blijf liever hier,” verzuchtte hij,
“Oudjes moet je niet meer verkassen. Dat zei mijn baas altijd.”
Ja, hij klonk nu zelf als een oudje.

Eigen vertaling uit het Engels van het gedicht A Portrait of a Dog as an Older Guy van Katia Kapovich. Voor de originele versie zie: https://www.poetryfoundation.org/poems/57926/a-portrait-of-a-dog-as-an-older-guy