Moeder en dochter

Een nog altijd verrassend gedicht over moeder en dochter van de in 1922 overleden dichter(es) Jacqueline E. van der Waals.

Moeder

Moeder naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zostraks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?

Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als ‘k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor uw voeten
Met mijn hoofd op uwen schoot?….

Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?

 

De laatste brief

De wereld scheen vol lichtere geluiden
En een soldaat sliep op zijn overjas.
Hij droomde lachend dat het vrede was
Omdat er in zijn droom een klok ging luiden.

Er viel een vogel die geen vogel was
Niet ver van hem tussen de warme kruiden,
En hij werd niet meer wakker want het gras
Werd rood, een ieder weet wat dat beduidde.

Het regende en woei. Toen herbegon
Achter de grijze lijn der horizon
Het bulderen -goedmoedig- der kanonnen.

Maar uit zijn jas, terwijl hij liggen bleef,
Bevrijdde zich het laatste wat hij schreef:
Liefste, de oorlog is nog niet begonnen.

Bertus Aafjes (1944)

*********************************************

De slaper in het dal

Een kuil vol groen waar een rivier door zingt.
Die ’t kruid met flarden zilver onbesuisd
Bespat; vanaf het fier gebergte blinkt
De zon: een klein dal dat van stralen bruist.

Een jong soldaat, blootshoofds, met open mond,
De nek in blauwe kers gedompeld, ligt
In open lucht te slapen op de grond,
Bleek in zijn groene bed vol plenzend licht.

Zijn voeten in het lis, zo slaapt hij. Zwakjes
Lachend zoals een ziek kind, soest hij zachtjes:
Natuur, wieg hem vol warmte: kou heeft hij.

De geuren doen zijn neusvleugels niet trillen;
Hij slaapt in de zon, één hand op zijn stille
Borst, rechts twee rode gaten in de zij.

Arthur Rimbaud (1870)

(Vertaling Paul Claes)

Verklikte liefde (Verratene Liebe, Hans Christian Andersen)

Die nacht dat we zoenden, mijn meisje
Was er geen mens die ons zag
Bezaaid was de hemel met sterren
Maar daarop sloeg jij noch ik acht

Toen heeft zich een ster laten vallen
Hij klaagde ons aan bij de zee
De zee gaf het door aan het scheepsroer
Zo kreeg ook de stuurman het mee

Die schipper zong aan zijn liefje
De hele geschiedenis voor
Nu zingen haar op straten en pleinen
De jongens en meisjes in koor

Hans Christian Andersen

Da nachts wir uns küssten, o Mädchen,
Hat keiner uns zugeschaut.
Die Sterne, die standen am Himmel,
Wir haben den Sternen getraut.

Es ist ein Stern gefallen,
Der hat dem Meer uns verklagt,
Da hat das Meer es dem Ruder,
Das Ruder dem Schiffer gesagt.

Da sang derselbige Schiffer
Es seinem Liebsten vor.
Nun singens ’s auf Strassen und Märkten
Die Knaben und Mädchen  im Chor.

(Eigen hertaling uit het Duits)