Oorloge

’t Is oorloge, oorloge is ‘t,
daar menschen zijn, en dieren;
’t gevecht zit al dat leeft,
geboortevast, in ’t been:
(…) Het kleen
zoet honingbietje weet
zijn gif te laten leken
in ’s vijands wonden; ’t weet
zijn moordend mes hem, en
zijn’ bitterheid, in ’t lijf
zoo nijdig neer te steken
dat ook het zoete zeem*
onzoet hem smaken zal!
(…)
’t Is oorloge, oorloge is ‘t,
daar menschen zijn; de dieren
verscheuren ondereen
malkanderen; de dood
tot in de wolken zit
en spiedt mij! (…)

*honing

Dit zijn delen van een weinig zoetsappig gedicht, geschreven door de vrome priester-dichter Guido Gezelle op 29 april 1895. Uit zijn bundel Rijmsnoer. Vrede zal de dichter pas vinden, zo besluit het gedicht, in de schoot van zijn Goedertieren Verlosser. (De beschrijving van de angel als moordwapen van de honingbij is een mooi voorbeeld van Gezelle’s enorme taalvernuft.)


Reis (gedicht uit Utrechtse daklozenkrant)

Park Lepelenburg,

een stalen witte ligstoel,
een beetje zon
en een blauwe lucht.

Ik zie vliegtuigen met slingers
van witte rook achter zich en
fantaseer over waar de reis heen gaat.

Ik denk na over waar ik ben
geweest en waar nog niet.

Dan besef ik dat ik weet
hoe mijn reis eindigt.

Een witte slinger van rook
in een blauwe lucht.

Plakletters

———
Dit indrukwekkende gedicht trof ik aan op de “Klinker”-pagina van de nieuwste, weer rijk gevulde uitgave van de Utrechtse Daklozenkrant (Straatnieuws nr. 8, 20 mei – 9 juni 2016). Vormtechnisch vind ik het een goed gedicht. Het bevat bovendien een mooie, verrassende beeldspraak over de menselijke eindigheid. De gedichtenpagina alleen al is voor mij de moeite waard om telkens weer een nummer van Straatnieuws aan te schaffen bij mijn vaste verkoper, Norbert. (Naast andere goede redenen.)
Kunstwerk van Tilman Knop, 2008

 

Liefdesgedicht uit 1924

Ik wil in marmeren gedichten
uw beeld in mij bestendigd zien,
ik wil de liefde, die ik dien,
in mij dit eenige outer* stichten,
ik wil voorgoed aan u verplichten
én wie gezegend zijn, én wien
dit heil ontbreekt, – en wie misschien
zich weren mochten toch doen zwichten.

Ik wil, – maar ach, ik wil uwe oogen,
ik wil uw hoofd op mij gebogen,
ik wil de weldaad van uw mond, –
ik wil in uw vertroostende armen
mijn afgehunkerd hart verwarmen, –
alsof daarbuiten niets bestond.

*outer = altaar

Gedicht van Jan Prins (ps. C.L. Schepp), uit zijn bundel VERSCHIJNINGEN (1924)

Mijn lezing: De dichter schetst in de eerste strofe een verheven ideaalbeeld van zijn geliefde. In de tweede strofe komt hij to the point en geeft hij grootmoedig toe, dat hij innig met haar wil vrijen! Vooral dat ‘afgehunkerd hart’ vind ik mooi.