Zonder bomen

‘k Ontwaakte in een wereld zonder bomen.
Er waren nog wel bloemen, en ook gras,
heestertjes, struiken, rietstengels langs sloten,
maar boven zo’n meter of twee hield alles op.

Toch was ’t er heel normaal: er reden auto’s,
er liepen mensen, speelden kinderen.
Je kon tv’s en wasmachines kopen,
en naar de film, of Sparta-Telstar gaan.

Aanvankelijk begreep ‘k dan ook niet wat
er nu zo vreemd aan was, waarom ik ’t gevoel had
dat ik waarschijnlijk nooit meer lachen zou.

En toen, toen drong het tot me door: de hemel
hing als een blauwe galg boven mijn hoofd.
Geen blad meer dat me nog verdedigen kon.

Deze ode aan de bomen trof ik aan in de gedichtenbundel DE EERSTE ZESTIG van de Dordtse dichter Cees Buddingh’ (De Bezige Bij Amsterdam 1978). Ik vond het leuk om een geestverwant op dit gebied te ontdekken. (In de bundel staan verder niet minder dan vijf In Memoriam-gedichten voor Gerrit Achterberg.)

De grote witte vogels

Ver hier vandaan op de blauwe zee
Klinkt een lied van wederkeer,
Een lied over het leven.

Matrozen zingen het op het moment
Dat zij hun gestorven vriend
Aan de zeebodem geven.

Mooi rust hij in een linnen kleed
En hoort hoe in blauwe verten zacht
Blanke vleugels ruisen.

Een glimlach siert hem, zoals hij daar ligt,
Dat is zijn ziel, die immers niet
Naar de sterren zal vliegen.

En zijn lichaam roept een lied
Dat zich lokkend over klippen giet,
Als wind en golven.

Al schuimt het zeewater nog zo wild,
Gedachten vormen zich toch een beeld
Van zijn zielenleven.

De schone zeeman daalde als een steen
In het diepe water naar beneden,
Als in een kribbe.

Op dat ogenblik roept hoog in de lucht
Een grote witte vogel in zijn vlucht:
Versla de dood!

Zie je ginds die witte meeuwen gaan
Die ver uit de kust hun vleugels uitslaan
Boven het tumult van de zee?

Ze slaken kreten en vertellen:
Onze vleugels zijn de zielen
Van de matrozen.

De koele groeve van de zee
Trekt jou, matroos, naar benee
Om je te verenigen

Met allen die in gedachten bij je
Zijn en in verre stille nachten zacht
Om je schreien, schreien, schreien.

Mijn vertaling van het cultlied Die grossen weissen Vögel van Peer Raaben. De tekst is op zijn beurt geïnspireerd door een oud chanson van Lucien Boyer, Les Goélands
. (De zangeres is Ingrid Caven.)

Een lied van verzoening

Zeker, ze hebben er geen Seine
En ook geen Bois de Vincennes
Toch mag ik er erg graag verblijven
In Göttingen, in Göttingen

Geen kades en populaire liedjes
Met hun slepende treurmelodietjes
Maar er zijn evengoed verliefde grietjes
In Göttingen, in Göttingen

Ze hebben geloof ik een betere kijk
Dan wij op de koningen van Frankrijk:
Herman, Peter, Helga en Hans
In Göttingen

Ik wil echt niemand bezwaren
Maar de sprookjes uit onze kinderjaren
Met hun “Er was eens” stammen
Uit Göttingen

Ik weet het, wij hebben de Seine
En ook nog ons Bois de Vincennes
Maar hoe goddelijk bloeien de rozen
In Göttingen, in Göttingen

Wij hebben onze nevelmorgens
En Verlaines ziel vol zorgen
Maar zij zijn de melancholie zelve
In Göttingen, in Göttingen

Als ze ons niet kunnen verstaan
Kijken ze ons glimlachend aan
Och, we begrijpen ze niettemin
In Göttingen, in Göttingen

En jammer voor wie mij vindt zweven
En dat de anderen het me vergeven
Maar de kinderen zijn toch echt hetzelfde
In Parijs en in Göttingen

O laat toch nooit de tijd herleven
Dat we voor haat en geweld moesten beven
Want er zijn mensen van wie ik houd
In Göttingen, in Göttingen

En mocht ooit opnieuw het alarm afgaan
Omdat we elkaar weer naar het leven staan
Dan zal mijn hart vol tranen zijn
Om Göttingen, om Göttingen

(Eigen vertaling van het chanson Göttingen van Barbara over de verzoening tussen Duitsland en Frankrijk.)