Rook

 

IMG_7351

Zomeravond in het park
Chillende studenten op de speelweide

Geuren van verschroeiend vlees
Lamskoteletjes op de barbecues

Rookwalmen boven het Wilhelminapark
Zoenoffers aan nog onbekende goden

Over de dichtbundel CROW van Ted Hughes

 

Tegen het eind van mijn theologiestudie, ruim 40 jaar geleden, schafte ik een van de grimmigste en ‘zwartste’ mij bekende dichtbundels aan, Crow, van de Engelse dichter Ted Hughes (1930-1998). Met een kraai als ‘hoofdpersoon’ en gebruik makend van allerlei mythologische (vooral Bijbelse) beelden stelt de dichter de onvolkomenheid van de schepping en het falen van de Schepper aan de kaak. Het apocalyptische en duistere (bij tijden humoristische) karakter van de bundel sprak mij als jonge, zoekende theoloog wel aan; al denk ik dat ik nu beter in staat ben de portee van deze poëzie te vatten dan toen. Net als twee andere belangrijke Engelse dichters, Philip Larkin en Stevie Smith, twijfelde Ted Hughes fundamenteel aan de betekenis en toekomstkansen van het christendom in de geseculariseerde consumptiemaatschappij, zoals die zich vanaf de jaren vijftig ook in Engeland begon te ontwikkelen. (Hughes vond uiteindelijk geestelijke rust en levensvreugde in de natuur, waarvan hij -net als Stevie Smith- zowel de schoonheid als de wreedheid bezong.)

Ted Hughes had persoonlijk alle reden om boos te zijn op God en zich te beklagen om zijn lot. Zijn eerste vrouw, Sylvia Plath, leed aan zware depressies als gevolg van een bipolaire stoornis (zoals haar aandoening heden ten dage wordt genoemd). Een jaar na hun scheiding in 1962 pleegde zij zelfmoord. Haar tragische dood, min of meer aangekondigd in haar roman The Bell Jar (De glazen stolp) en haar na haar dood verschenen en nog altijd geprezen, tweede dichtbundel Ariel (1965) bezorgden Sylvia Plath postuum veel literaire roem. Ze werd ook al snel tot feministisch icoon verheven, uiteraard met de weduwnaar en beheerder van haar literaire nalatenschap, Ted Hughes, in de beklaagdenbank. Zes jaar later pleegde Hughes’ minnares Assia Wewill suïcide, waarbij zij ook hun 4-jarig dochtertje Shura meenam in de dood. De dichter (die in 1984 Engelands Dichter des Vaderlands werd) zou pas in de kort voor zijn dood in 1998 gepubliceerde dichtbundel Birthday Letters met 88 gedichten zijn stilzwijgen verbreken over zijn relatie met Sylvia Plath.

Crow verscheen voor het eerst in 1970 en werd aan Assia en Shura opgedragen. 

Lees verder “Over de dichtbundel CROW van Ted Hughes”

Over de relatie tussen politiek en godsdienst

Bel état de l’Eglise quand elle n’est soutenue que de Dieu
(Het komt pas goed met de Kerk, als ze alleen nog op God steunt.)
Blaise Pascal, Idées (1669)

Als er één ding is dat ik geleerd heb tijdens mijn studie theologie, is dat wel het inzicht dat politiek en godsdienst niet met elkaar vermengd dienen te worden. Een dergelijke vermenging maakt het geloof onzuiver en het politieke handelen onzakelijk. Religieuze politiek kun je vergelijken met autorijden onder invloed: je rijdt nog wel, maar de macht over het stuur ben je kwijt.

Politiek is het organiseren van het collectieve vermogen (‘macht’) om de samenleving te ordenen en besturen. In het politieke discours is elk beroep op geopenbaarde waarheden ongepast en zelfs gevaarlijk. Religieuze aanspraken zijn ‘totalitair’, in die zin dat zij een exclusieve en sluitende verklaring pogen of pretenderen te bieden voor de raadsels van het menselijk bestaan. Welnu, dergelijke absolute ‘waarheden’ verdragen zich niet met ‘de kunst van het mogelijke’ (een gangbare definitie van politiek) in een seculiere en pluralistische samenleving als de onze.

Ingewikkelder wordt het wanneer zich op het oog seculiere, politieke ideologieën aandienen en macht vergaren die zelf over een alles verklarende en oplossende wereldbeschouwing menen te beschikken. De mensonterende en -vernietigende gevolgen hiervan hebben we op grote schaal gezien in de twintigste eeuw. Men kan niet ongestraft de almacht van God transporteren naar de Rede, als nieuwe godheid. Ook redelijkheid vraagt om maatvoering en een hoge mate van pragmatisme blijkt in de politieke praktijk ‘heilzamer’ dan al dan niet religieus gemotiveerd idealisme.

Tegen de hoop en verwachting van geseculariseerde burgers in, blijft het zoeken naar een ‘hemels baldakijn’ een onbedwingbare menselijke behoefte. Deze beeldende omschrijving is van de Amerikaanse godsdienstsocioloog Peter Berger, in zijn beroemde en onverminderd actuele studie over de ‘werkelijkheid’ als sociale constructie van zo’n halve eeuw geleden. Voor de meeste mensen op deze prachtige blauwe planeet is het een onverteerbare en angstaanjagende gedachte dat het menselijk leven en de lotgevallen van de mensheid op louter toeval zouden berust, zonder een goddelijke hand aan het stuur. Godsdiensten bieden een beschermend dak boven het hoofd tegen de ervaring van chaos en zinloosheid.

Dat geldt misschien in het bijzonder voor jongeren die zich buitengesloten voelen van de samenleving en hun bestaan als zinloos en doelloos ervaren. Het massaal creëren van werkgelegenheid voor jongeren, in Europa en het Midden-Oosten, lijkt mij dan ook een belangrijk middel bij de bestrijding van het terrorisme. Maar dat alleen is niet voldoende om de verleiding van totalitaire denkbeelden te dempen. Er moet ook weerwoord geboden aan geestelijke leiders en stromingen die uit zijn op religieuze kolonisatie van de politieke sfeer (en omgekeerd). Omwille van de zuiverheid van het geloof en de zakelijkheid van de politiek.