Een ‘Blijf thuis’-gedicht uit China

Lekbrug bij Vianen in de mist

Mijn bediende wekte me: “Meester, het is klaarlichte dag,
Kom uit bed, ik breng u wasbekken en kam.
Het wordt winter en de ochtendlucht is kil;
Vandaag kan U edele beter niet naar buiten gaan.”

Wanneer ik thuisblijf en er komt niemand langs;
Wat moet ik dan met die lange, lege uren?
Mijn stoel neerpoten waar wat zwak zonlicht binnenvalt.
Ik heb wijn opgewarmd en mijn poëzieboeken opengeslagen.

Po Tsjü-i (772 – 846)

(Eigen versie naar een Engelse vertaling uit het Chinees)

De vogels zijn verdwenen


De vogels zijn verdwenen in de lucht,
en nu drijft de laatste wolk weg.

We zitten bij elkaar, de berg en ik,
tot alleen de berg overblijft.

Li Po (701 – 762)

(Eigen versie naar een Engelse vertaling uit het Chinees)

De oude dag

Po Tsjü-i

(Voor Liu-Yü-hsi, die in hetzelfde jaar geboren is)

We worden samen oud, jij en ik;
Laten we eens nagaan: hoe is het om oud te zijn?

Het moede oog valt toe, voordat het avond is;
Het duffe hoofd, nog ongekamd op het middaguur.

Steunend op een stok, soms een ommetje buiten;
Of de hele dag binnen op een stoel, met de deur op slot.

Je vermijdt een blik in de grijnzend gladde spiegel;
Je kunt geen boeken meer lezen met kleine letters.

Dieper en dieper, de liefde voor je oude kameraden;
Steeds zeldzamer, de omgang met jonge mensen.

Maar één ding is nog altijd even geweldig:
Het gezellig keuvelen, als we elkaar weer treffen.

Po Tsjü-i (772-846)

(Eigen versie naar een Engelse vertaling uit het Chinees)