Wordt het niet eens tijd voor een nieuw gedicht? Vraagt een stem in mijn hoofd, vol indrukken nog Van enkele dagen uitwaaien in het hoge noorden.
Ik zeg: er komt er vast weer een. Bijvoorbeeld Over veertiende-eeuwse bakstenen kerken, met Losse klokkentorens, op terpen in Oost-Friesland.
Helaas op slot, zodat we telkens onverrichterzake Door weer en wind de auto in vluchtten. Of over Het openluchtmuseum, door pensionado’s opgebouwd,
Ter herinnering aan het harde leven en zware werk van veenarbeiders En hun gezinnen, al hoefden de kinderen gelukkig geen turf te eten. Of over lokkende Konditoreien, waar hete thee en Apfelstrudel
De kilte uit onze botten verdreven, waarna we langs eindeloze Akkers en weilanden terugreden naar ons gastfreundliche hotel Met zijn gutbürgerliche gerechten en gerieflijke bedden.
Want lazen we onderweg niet ergens de spreuk: ”Man soll dem Leib etwas Gutes bieten, Damit die Seele Lust hat darin zu leben.”?