Ode aan de eerste liefde

Hij was blond, die eerste liefde,
blond als mijn idool Lodeizen.
Maar dichten deed hij niet.

Op school was hij een sportheld.
Ik niet. Wel wist ik als enige
hoe zacht zijn lippen waren.

Ik herinner mij nog
de pakjes chocomel
die hij met mij deelde.

Maar ook hoe een hogere macht
onze prille idylle verbrak
met een contactverbod.

Al is hij mij wellicht allang
vergeten, ik zeg hem toch
alsnog: ik dank je wel.

Wordt het niet eens tijd?

Wordt het niet eens tijd voor een nieuw gedicht?
Vraagt een stem in mijn hoofd, vol indrukken nog
Van enkele dagen uitwaaien in het hoge noorden.

Ik zeg: er komt er vast weer een. Bijvoorbeeld
Over veertiende-eeuwse bakstenen kerken, met
Losse klokkentorens, op terpen in Oost-Friesland.

Helaas op slot, zodat we telkens onverrichterzake
Door weer en wind de auto in vluchtten. Of over
Het openluchtmuseum, door pensionado’s opgebouwd,

Ter herinnering aan het harde leven en zware werk van veenarbeiders
En hun gezinnen, al hoefden de kinderen gelukkig geen turf te eten.
Of over lokkende Konditoreien, waar hete thee en Apfelstrudel

De kilte uit onze botten verdreven, waarna we langs eindeloze
Akkers en weilanden terugreden naar ons gastfreundliche hotel
Met zijn gutbürgerliche gerechten en gerieflijke bedden.

Want lazen we onderweg niet ergens de spreuk:
”Man soll dem Leib etwas Gutes bieten,
Damit die Seele Lust hat darin zu leben.”?

Hoop

niet meer lezen
niet meer kijken
niet meer luisteren
niet meer spreken
niet meer denken

een boom zijn

zonder bladeren
zonder schaduw
zonder ruisen
zonder nesten
met nieuwe twijgen

vol verwachten