Op het geitenweitje
Staat het kleine geitje
Bij de grote geit.
Geiteke, wat moet je
Met je fijne snoetje,
Dat zo klaaglijk schreit?
Met je bleke bekje?
Geiteke, wat rek je,
Trek je aan het touw?
Snuffende aan de mouwen….
Met je lief vertrouwen
In zo’n vreemde vrouw!
In mijn handen stop je
Nu je jonge kopje:
Zeg, wat moet ik doen?….
Op het geitenweitje
Staat het witte geitje,
Als een wittigheidje
In het prille groen.
Et vous, Seigneur mon Dieu accordez-moi la grace de produire quelques beaux vers qui me prouvent à moi-même que je ne suis pas le dernier des hommes, que je ne suis pas inférieur à ceux que je méprise!
En U, Heer mijn God!
schenk mij de genade
een paar mooie gedichten te schrijven
waarmee ik mezelf bewijs,
dat ik niet de gemeenste kerel ben
die op deze wereld rondloopt
en dat ik niet minder ben
dan degenen op wie ik neerkijk!
De koe herkauwt in een schuur vol hooi, Ik leg mijn hoofd tegen haar grote flank En voel de warmte uit haar diepste binnenste, De warmte van hooi, gebonden op de weiden. Boven haar zwarte horens hangt een lamp Die afschijnt op de emmer vol melk. Ik kan niet van de koe vandaan. Met mijn hoofd tegen haar flank, ruik ik de schuimende melk. De melkster verplaatst voorzichtig de emmer. En wacht een ogenblik, met druipende handen. Ze vraagt: ‘Ben jij een veearts?’ Mijn hoofd laat de flank los: ‘Nee, een dichter.’ Ze lacht en neemt me op met haar blauwe ogen, Lieflijk, wijs en vredig. Ze denkt een ogenblik na en beseft Dat ik geen regel kan schrijven zonder een koe…
Dit mooie gedicht is van Dritëro Agolli. Een dichter uit Albanië, die nu 76 moet zijn als hij nog leeft. Ik vond het in Klaagzang van een vogel, de eerste in het Nederlands verschenen bloemlezing van moderne poëzie uit Kosova en Albanië, samengesteld en vertaald door Koen Stassijns (uitgegeven door Lannoo/Atlas in 2000 en nu in de ramsj verkrijgbaar).