Balkon, Federico García Lorca (vertaling)

Lola
zingt saetas.
de jonge stierenvechters
draaien in rondjes om haar heen

en in zijn deuropening
beweegt het barbiertje
zijn hoofd heen en weer
op de ritmes.

Tussen de potten basilicum
en kruizemunt
zingt Lola
saetas.

Diezelfde Lola
die bij de vijver zo lang
naar haar spiegelbeeld
zat te staren.

Federico García Lorca

(Eigen vertaling uit het Spaans)

saetas = liederen in de Goede Week-processie

Vaders, sigaren en paarden

AE35243E-AE0A-4D03-AC85-90DBFB5C63EB

Als mijn vader een sigaar opstak
kreeg ik het bandje.
Waar zijn de bandjes gebleven?
Waar is mijn vader gebleven?
Ik rook sigaren.
De bandjes gooi ik weg.

Bladerend in de zesde bloemlezing van Dichters Omnibus uit 1960, raakte mij dit ontroerende fragment van het gedicht Een zak vol knikkers, geschreven door de verder onbekend gebleven dichter H. Renckens. Ik vind het een volwaardig gedicht op zichzelf, dat mij bij lezing in één keer terugbracht bij mijn eigen (in november 1977 overleden) vader. Ik denk dat veel mensen van mijn generatie zo’n sigaren rokende vader gehad hebben.

Mijn vader hield behalve van sigaren ook erg van paarden. Daarom voeg ik een gedicht toe van de (wel beroemd geworden) dichter Rutger Kopland, dat een plaats kreeg in de 12e bloemlezing van Dichters Omnibus uit 1966: Het paard.

Zij draagt de zware vleespartijen
moe door de schemerige weiden
tot ze verdwijnt grijs in grijs
tussen hemel en aarde
uitgediend amen

maar in een nacht heb ik gezien
dat ze rolde door het gras snuivend
alsof ze door de duivel bestegen
trappend zich trachtte te bevrijden

en ’s morgens slecht geslapen aan het hek
de kop boven de haverbak
kruimels om de bek
de manen verward
de oogleden halverwege
bolle beslagen ruiten

Erg mooi. Eén kanttekening: mijn vader zou nooit over de ‘bek’, maar over de ‘mond’ van het paard hebben gesproken. “Een paard heeft benen, een koe heeft poten.”, was een van zijn geliefde gezegden.

 

Sterven in oktober

STRAFREGELS

Ik mag niet zeggen dat het leven zinloos is
Ik mag niet werkeloos en werkloos zijn
Ik mag niet vloeken tijdens preek of mis
Ik mag niet praten over pijn
Ik mag niet over slechte dingen schrijven
Ik mag geen wanhoop en ellende zien
Ik mag mijn hart niet naar geluk toe drijven
Ik mag niet hebben wat ik wel of niet verdien
Ik mag niet spotten met het leven
Ik mag niet spotten met de eeuwigheid
Ik mag mijzelf aan niets en niemand geven
Ik mag niet sterven voor mijn tijd

*

Dit is het eerste gedicht in de debuutbundel October van de dichteres Ankie Peypers, die op 24 oktober op 80-jarige leeftijd in Frankrijk is overleden. (De bundel verscheen in 1951 in een oplage van 500 exemplaren.)