In den tuin

Tusschen petunia-perken,
Onder de donkere boomen,
Moe van mijn streven en werken,
Dool ik alleen met mijn droomen.

Zacht, in ’t fluweelige maanlicht,
Geuren de sluimrende rozen.
’t Lommer, dat zwart in de laan ligt,
Trilt van een koeltje, bij poozen.

Anjer, wat vlamt ge zoo helrood?
Lelie, wat bloeit ge zoo reinblank?
Of daar een nixe uit de wel vlood,
Ruizelt de bron, bij dien wijnrank.

‘k Hoor in het loover geklapwiek.
Stoor ik een vogel? – dan zwijgen!
Ruischende wind – en nu, snapziek,
Fluisteren takken en twijgen.

Drijvende wolken en weerlicht….
Droppelen, zoeler dan tranen…..
Heerlijk, bij bliksem, dat meerzicht,
Tusschen de statige lanen!

Kletter nu wild op de wegen,
Regen, en is ’t u veroorloofd,
Droppel der hemelen zegen
Koel op mijn kloppende voorhoofd!

Dit gedicht van Helène Swarth, uit haar bundel Verzen (1893), is meer dan een fraai staaltje damespoëzie uit lang vervlogen tijden. Ik vind het vooral een superieur staaltje dichtkunst, dat nog steeds respect afdwingt. Het is een charmant vakantiegedicht, vermoedelijk geschreven tijdens of na het verblijf in een luxe vakantiehotel (aan het Lago Maggiore, gok ik). Maar de hele inhoud danst op een perfect metrum van alexandrijnen, zo vertrouwd uit de Ilias en Odyssee van Homerus. Lees de tekst maar eens hardop en voel hoe het vers swingt als een moderne song. Om, na alle euforische natuurimpressies, met die ene slotregel te eindigen waarin de dichteres ons ineens intiem nabij komt: ‘Koel op mijn kloppende voorhoofd!’

De tortel

Zijn lied klinkt dof van uit de hoge linden.
Het lijkt wel of hij iets met nadruk vraagt
of iemand roept; hij kan de rust niet vinden.
Dichters beweren dat de tortel klaagt.

De dieren die de tere tortel horen
maken zich om dit schor gezang niet druk
en zoeken niet in het eenzelvig koeren
een zin van heimwee naar vergaan geluk.

Alleen de mens wil weten en begrijpen,
zoekt steeds naar reden, oorzaak of begin.
De zomer bloeit en de eerste vruchten rijpen,
het is zo stil; misschien heeft niets een zin.

Jan van Nijlen
(1884 – 1965)

IMG_1956

Wesp in wijn

In ’t groen prieel, doorzeefd van zonneblond,
Zij heft den kelk vol honingzoeten wijn,
Tot heildronk wijdend, als in vroom festijn,
Hun vreugdbelovend liefdeblij verbond,
Voor heel dit leven en voor ’t eeuwig Zijn
Met hem, dien God haar in genade zond-
Plots weert, verschrikt, den kelk hij van haar mond;
– ‘Een wesp in ’t glas!’ behoedend haar voor pijn.

En jaren later, in haar tuintje alleen,
Waar zwermen wespen met hun zwaar gezoem,
Rond blanke flox en gouden zonnebloem,
Herdenkt zij ’t uur van teeder lang geleen-
Elk woord van hem nu, stekend, tart en sart
En, wesp in wijn, laat d’angel in haar hart.

Uit de laatste dichtbundel ‘Beeldjes uit vrouwenleven’ (1938) van Hélène Swarth (1858 – 1941).

kunstwerk van Odilon Redon