Ik ben tien. Mijn moeder zit in een zwarte schommelstoel in de salon en vertelt verhalen over een plattelandsschool omgeven door rijstvelden en zonder wegen.
Ik sta in het licht van een petroleumlamp achter haar, en verdien mijn zakgeld. Een cent voor elke witte haar die ik eruit trek.
Als ik, terwijl mijn vrouw slaapt en de baby en Kathleen ook slapen en de zon een vuurwitte schijf is in zijdeachtige nevels boven glanzende bomen, — als ik in mijn kamer op het noorden in mijn blootje een potsierlijk dansje maak voor mijn spiegel mijn hemd om mijn hoofd zwaaiend en zachtjes in mezelf zingend: “Ik ben eenzaam, eenzaam; Ik werd geboren voor eenzaamheid, Ik voel me helemaal oké!” Als ik mijn armen en gezicht bewonder, en mijn schouders, flanken, billen, tegen de geel getekende tinten, –
Wie zal ontkennen dat ik de gelukkige schutsengel van mijn gezin ben?
Ik liep eenzaam rond, als een wolk Die hoog over dal en heuvel zweeft, Toen ik opeens voor een menigte stond, Een leger aan gouden narcissen Die onder de bomen bij een water Dansten en trilden in de wind.
Alsmaar uitdijend als de sterren Die aan de Melkweg staan te twinkelen Vormden ze een eindeloze rij Langs de oever van een baai: Ik zag er wel tienduizend in één keer, Hun kopjes dansten kwiek heen en weer.
De golven ernaast dansten ook, maar hun Plezier overtrof dat van de glimmende golven: Een dichter kan enkel blij zijn Met een gezelschap dat zich zo vermaakt. Ik staarde – en staarde – maar besefte amper nog Wat voor een rijkdom hun aanblik mij schonk.
Want vaak, als ik gedachteloos of In gepeins verzonken lig te rusten, Zie ik ze weer voor me in een flits, Dat intiem geluk van eenzaamheid; En dan zwelt mijn hart van vreugde En danst met de narcissen mee.
Eigen vertaling van het gedicht ‘I wandered lonely as a cloud’ van William Wordsworth