
Vader en zoon



Het eerste groeien aan den waterkant
hoe wel herkent het zinnende verstand
dons van een cherublip daarin en waas
van kinderwangen in de jonge plant.
Veel kostbaar bloed heeft ‘s werelds loop gestort
en menig bloem is onverhoopt verdord;
verhef u niet op jongzijn en op glans,
de knop valt af, eer zij geopend wordt.
De wereld gaat en gaat, als lang na deze
mijn roem verging, mijn kennis hooggeprezen.
Wij werden vóór ons komen niet gemist,
na ons vertrek zal het niet anders wezen.
O droomend hart, kies u een nieuw vertier
in vrouwenwang en purperen eglantier;
licht als kwikzilver vlieten onze dagen,
de pracht der jeugd zinkt als een bergrivier.
Vier melancholische kwatrijnen over de vergankelijkheid uit de Rubaijat van Omar Khayyam (1048-1131) in de vertaling door J.H. Leopold in zijn bundel Verzen. (Op de foto de omslag van de tweede druk uit 1920.)
Daar ligt hij, mijn Japanse tuin
verzonken in zijn eigen stilte.
Ik zie hoe de bamboe zich wendt
bij het minste geritsel van de wind.
Ik zie hoe de stenen Boeddha het wiel
van gerechtigheid geduldig ronddraait.
Vol wijsheid, vol ironie
ziet hij mijn gestrompel aan.
Ik zie het houten bruggetje
dat zich buigt over de schuwe
beek en het saffraangele grint
waartussen kleine planten zich
met hun wortelvingertjes vast
klemmen. Ik zie de spiegels
waarin mijn tuin wordt weerkaatst.
Ik zie de aarde, waar de wolken
op vallen, ik zie vogels en zij
zien mij, zittend in mijn tuin,
die beweegt, die leeft, die sterft.
Meditatief gedicht uit het Kettingboek (2009) van dichter Marlies Souren, overleden op 22 februari 2025, 79 jaar oud.