Nieuwe bundel van betrokken dichter Ali Şerik

Links presentator Jaap Lemereis, rechts dichter Ali Şerik, tijdens de bundelpresentatie op 16 december.

We zijn allemaal getuigen. Een dichter is getuige van zijn tijd.
Het papier is mijn geheugen. Ik babbel niet veel, ik schrijf liever alles op.
Als ik in het Turks dicht, ben ik Turk. Als ik in het Nederlands dicht, ben ik Nederlander.

Drie karakteristieke uitspraken van dichter Ali Şerik. Ik noteerde ze tijdens het interview dat presentator Jaap Lemereis met hem had op de drukbezochte presentatie van Ali’s nieuwste en derde dichtbundel De stem die baart op 16 december 2018 in de Amersfoortse Bibliotheek Het Eemhuis. Ik heb op mijn poëzieblog al diverse malen aandacht geschonken aan het dichtwerk van Şerik. (Tik zijn naam in het zoekvenster en je vindt de berichten in kwestie.)

Ik beschouw Ali Şerik als een dichter pur sang, zoals je die maar zelden tegenkomt. Ook de nieuwe bundel is weer een rijk gevuld boekwerk van 95 bladzijden, uitgebracht door de Utrechtse uitgeverij Lipari. (Jammer van de kleine imperfecties hier en daar in de verder zo verzorgde tekst.) Vooral in het eerste deel met de cynisch klinkende titel ALLES IS ZO MOOI staan gedichten met heftige beelden, die van de lezer een stevige maag vergen. Maar hierna volgt een overvloed aan tedere en liefdevolle poëzie in deze bundel. Alle, meestal lange, gedichten van Ali worden gekenmerkt door de verrassende, bloemrijke en soms bizarre beeldentaal die deze dichter zo eigen is. In de meeste gedichten laat hij zich kennen als een maatschappelijk betrokken en bevlogen dichter en als een niets verbloemende en alerte ‘getuige van onze tijd’.

Ter illustratie, citeer ik twee mooie korte gedichten uit De stem die baart: een soort ode aan Nederland en een liefdesvers.

EEN WANDELING WACHT

Niet alleen de bomen lijken op dit land,
de bloemen doen dat ook, het gras lijkt op dit land
de dakpannen niet te vergeten.

Vooral het gesprek over kinderen lijkt op dit land
hoe vrouwen gehaast fietsen, mannen mopperen
over politiek. Wat in het bijzonder op dit land lijkt
zijn de warme woonkamers. Door het raam
naar buiten kijken, thuis of in de trein.
Almaar op zoek naar iets nieuws.

Wat eveneens op dit mooie land lijkt
zijn oude mensen die graag door willen gaan,
het moeilijk vinden om te stoppen.
Bang zijn voor een vreemde, ook al komt die
van de andere kant van het land.

Ook de grachten en het water dat golft
in de wind. Maar het meest lijkt dit land op
de duinen waar een wandeling wacht
op een wandelaar.

WATERLELIE

Vanmorgen liep ik langs het water,
het was stil, in de verte gezang van vogels.
Op het water weerkaatsten lichte wolken.
Nadat ik wat treurwilgen had gepasseerd door het gras,
zag ik tientallen waterlelies nog in hun knoppen.
Slechts één had haar witte bloem geopend,
ik moest zo aan jou denken.

Wil je meer weten wat deze bijzondere dichter bezielt en hoe je aan zijn nieuwste bundel kunt komen? Lees dan hier het verhelderende interview dat redacteur Peter le Nobel van Nationale Boekenblog.nl met hem had.

Liedje

De beek stroomt onstuimig
Over de rotsige bodem;
Wie daar niet van gaat zuchten,
Leert het onder het minnekozen.

Russisch-Pools dansliedje
Uit: Polydora (1855), Georg Friedrich Daumer

(Eigen vertaling uit het Duits)

fdfd6098-4fb9-47dd-85d4-cf79548230e9

Kromme Rijn bij Cothen (winter)

St. Alexius, beschermheilige van de bedelaars

Columbia University 1908 Yearbook photo of poet Joyce Kilmer

Wij die dagelijks, om brood bedelend,
In stad en land de straten aflopen,
Laat ons neerknielen op de brede weg en bidden
Tot de heilige met de zwerversvoeten.
Onze altaarkaars is een frisse boterbloem
En ons heiligdom een grazige berm,
Maar Sint Alexius blijft voor ons zorgen,
De vagebond van God.

Hij kreeg een woning in het sjieke Rome
En een prinses als bruid, maar ging er
Op zijn trouwdag vandoor in een roeiboot
De onstuimige stroom van de Tiber af,
Om op de kust van Azië te belanden
Waar de heidense mensen wonen.
Bedelnap in de hand, trok hij er prekend en
Biddend rond en redde hun ziel van de hel.

Krom van de jaren en de pijn, keerde hij
Naar het huis van zijn vader terug.
Niemand bleek deze zwerver te herkennen
Want zijn bebaard gezicht was hun vreemd.
Maar zijn vader zei: “Geef hem te eten en te drinken
En een rustbed onder de trap.”
Alexius kroop naar zijn hok en viel in slaap,
Maar lang zou hij daar niet blijven.

Want toen het nacht werd in de zevenheuvelenstad
Kwam de keizer aangesneld, zeggende:
“Ik hoor dat er een heilige in de buurt is
Die ons komt zuiveren van van onze zonden.”
Waarna ze vergeefs de heilige opzochten,
Want zijn ziel was op een verre reis gegaan
En had zijn vleselijk omhulsel verlaten om
Langs de met goud geplaveide wegen te dwalen.

Wij die dagelijks, om brood bedelend,
In stad en land de straten aflopen,
Laat ons neerknielen op de brede weg en bidden
Tot de heilige met de zwerversvoeten.
Onze altaarkaars is een frisse boterbloem
En ons heiligdom een grazige berm,
Maar Sint Alexius blijft voor ons zorgen,
De vagebond van God!

Joyce Kilmer (1886 – 1918)

(Eigen vertaling van het gedicht ‘St. Alexis, Patron of Beggars’ van Joyce Kilmer)