Als eierschalen

Fjordenpaarden

Bladerend in mijn inmiddels vergeelde uitgave uit 1972 (vierde druk) van de Verzamelde Gedichten van Gerrit Achterberg stuit ik op het gedicht ‘Dood paard’. Ik herinner mij hoe ik bij eerste lezing getroffen werd door één verrassend beeld: ‘ogen als eierschalen’. Ook nu raakt het me weer.
De dichter groeide op op het platteland en werd bij het schrijven van dit gedicht wellicht geïnspireerd door een herinnering uit zijn jeugd.
Paarden doen mij altijd denken aan mijn vader, die een grote liefde koesterde voor paarden. Een paard heeft benen, een koe heeft poten, placht hij te zeggen om ons als kinderen het respect voor deze diersoort in te prenten. Ik denk dat de aanblik van een dood paard hem oprecht verdriet deed. Net als de dichter (vermoed ik) al gebruikt deze in zijn vers wel de woorden ‘poten’ en ‘bek’.

Met mijn vader in herinnering, laat ik hier graag het laatste gedicht uit Achterbergs dichtbundel Osmose (1941) lezen.

DOOD PAARD

Hij is ineens van hout.
De warme buik is koud.
Zo wordt de wereld oud.
Zijn poten zijn te kort.
Er ligt haver gemorst
buiten de bek, die nog voor kort
je vingers fijn kon malen.
Zijn gele tanden briesen
tegen die hem de dood in bliezen.
Ogen als eierschalen.
De vilder komt hem halen.

“De dichter is een koe”

De dichter is een koe, is een van de bekendste versregels van de grote dichter Gerrit Achterberg (1905-1962). Feitelijk is het de titel van een van zijn gedichten. Hoeveel mensen zouden de tekst zelf van het betreffende gedicht gelezen hebben? Omdat ik een zwak heb voor koeien, schreef ik ook enkele gedichten over dit bijzondere wezen. Ziedaar twee redenen om het oorspronkelijke gedicht van Achterberg (uit zijn bundel Eiland der ziel, 1939) hier in zijn geheel weer te geven. Het bevat rake en geestige observaties en een slot dat ik ontroerend vind. In de laatste twee versregels lees ik de hunkering van een kind naar de warmte en veiligheid bij zijn moeder. De koe is inderdaad de dichter.

DE DICHTER IS EEN KOE

Gras… en voorbij het grazen
lig ik bij mijn vier poten
mijn ogen te verbazen,
omdat ik nu weer evengrote
monden vol eet zonder te lopen,
terwijl ik straks nog liep te eten,
ik ben het zeker weer vergeten
wat voor dier ik ben — de sloten
kaatsen mijn beeld wanneer ik drink,
dan kijk ik naar mijn kop, en denk:
hoe komt die koe ondersteboven?
Het hek waartegen ik mij schuur
wordt glad en oud en vettig op den duur.
Voor kikkers en voor kinderen ben ik schuw
en zij voor mij: mijn tong is te ruw,
alleen de boer melkt mij zo zalig,
dat ik niet eenmaal denk: wat is hij toch inhalig.
’s Nachts, in de mist, droom ik gans onbewust
dat ik een kalfje ben, dat bij de moeder rust.

Elegie


Mijn lieve vrienden, als ik gestorven ben
Plant dan een wilgenboom op het kerkhof
Ik houd van zijn betraand gebladerte
De bleke kleur ervan is mij zo dierbaar
En zijn schaduw zal lichtjes vallen
Op de aarde waarin ik zal sluimeren.

Mes chers amis, quand je mourrai,
Plantez un saule au cimetière.
J’aime son feuillage éploré,
La pâleur m’en est douce et chère,
Et son ombre sera légère
A la terre où je dormirai.

Alfred de Musset (1810-1857)
(Eigen vertaling)

IM Joof van Keulen – op zijn 77-ste geboortedag