De vogels

Dit gedicht, met zijn sterke laatste strofe, stamt duidelijk uit de vooroorlogse crisisjaren van de vorige eeuw. Wat mij in dit sonnet frappeert, is dat de dichter toen al uitging van een breed armoedebegrip. Een mens leeft niet van brood alleen, maar heeft ook recht op sociale en culturele participatie, om een menswaardig leven te kunnen leiden. Na de tweede wereldoorlog werd deze opvatting leidraad bij de opbouw van de verzorgingsstaat. Bescherming van de burger tegen armoede en uitsluiting werd door de overheid erkend als een recht in plaats van een gunst. Martinus Nijhoff toont zich in zijn gedicht ‘De vogels’ een voorloper van deze humane maatschappijvisie.

Nijlganzen in Utrecht

Vijver Wilhelminapark

Koekoek in nood

Ooit was ik op bezoek
bij de schrijver van een boek.
Van zijn moeder erfde hij
een uurwerk met een koekoek.

Ieder heel en half uur
kwam het vogeltje naar buiten.
Maar zijn zang miste elk vuur.
Het leek nauwelijks op fluiten.

De man zei: sinds moeder dood is,
klinkt de koekoek zo verkouden.
Ik weet niet wat er loos is.
Zou hij om haar rouwen?