Ontbijt (Déjeuner du matin)

Jacques Prévert

Hij heeft het kopje
koffie ingeschonken
hij heeft de melk
in de koffie gedaan
hij heeft de suiker
in de koffie gedaan
met het lepeltje
hij heeft geroerd
hij heeft de koffie opgedronken
en het kopje neergezet
zonder mij iets te zeggen
hij heeft een
sigaret opgestoken
hij heeft kringetjes
geblazen met de rook
hij heeft de as
in de asbak gedaan
zonder mij aan te spreken
of aan te kijken
hij is opgestaan
hij heeft zijn
hoed opgezet
hij heeft zijn
regenjas aangetrokken
omdat het regende
en hij is vertrokken
in de regen
zonder een woord
zonder een blik
en ik heb mijn hoofd
in mijn handen genomen
en gehuild.

Jacques Prévert

Uit: Paroles (1946)

Deze vertaling van mij uit het Frans  is -met toestemming van uitgeverij Gallimard- opgenomen in de poëziebloemlezing Aan de laatste roker, samengesteld door Henny Vrienten, met tekeningen van Peter van Straaten. Uitgegeven door De Harmonie – Amsterdam, november 2014.

In zwarte coltrui

Het Franse chanson is lang uit de mode geweest, maar beleeft sinds enige tijd een opleving, dankzij nieuwe vertolksters als Wende. Wat goed is zal nooit verdwijnen.
Het lijdt voor mij geen twijfel: mijn liefde voor de poëzie is opgewekt door het beluisteren (en zingen) van Franse chansons in mijn jongelingsjaren. In de jaren zestig werden veel van de Franse “luisterliedjes” vertaald door Ernst van Altena en gezongen door de, nog altijd optredende, enige Nederlandse diva op het zangpodium: Liesbeth Liszt. Mijn eigen voorkeur ging toch uit naar de originele Franse teksten en hun vertolkers. Chansonniers met grote namen als Yves Montand, Gilbert Bécaud, Georges Brassens, Guy Béart, Léo Ferré, Jean Ferrat, Jacques Brel en, niet te vergeten, de zangeressen Edith Piaf, Francoise Hardy, Anne Sylvestre en Barbara. Ik schreef adorerende stukjes over ze in de schoolkrant. 
Mijn toenmalige leraar Frans op het internaat (Beekvliet) draaide tijdens de les regelmatig plaatjes met chansons van het wat lichtere en vooral brave genre. Je moet dan denken aan de vrolijke liedjes van Les Frères Jacques en de religieuze ballades van Soeur Sourire; de zingende non uit België, die in werkelijkheid Jeannine Deckers heette en met wie het slecht zou aflopen. Maar dat wisten we allemaal nog niet, toen we haar in onze schoolbanken zo zoetjes hoorden zingen over de vele omzwervingen van Père Dominique (1963), de heilige Dominicus, befaamd ketterjager. Eén keer, herinner ik mij, draaide meneer Geboers de immens populaire hit van Adamo: “Vous permettez, monsieur?”. Maar die tekst vond de nogal bigotte leraar eigenlijk al te lichtzinnig voor de (rode) oortjes van de aan zijn zorg toevertrouwde priesterkes-in-de-dop.
Zoals gezegd, hield ik toch meer van het literaire chanson. Op zogeheten ”bonte avonden” zong ik ze op het podium, verkleed als chansonnier, dat wil zeggen in zwarte outfit mét coltrui. Daarbij werd ik heel professioneel begeleid op de vleugel door een oudere medestudent, Jan van der Sangen. De pikante of anarchistische inhoud van sommige chansons van bijvoorbeeld Brassens en Ferré viel niet bij elke opvoeder in de smaak. Maar men vertrouwde erop dat het gros van de jongens de Franse teksten toch niet verstond…

zingen is ook leuk