Rondeel van Charles d’Orléans over de komst van de lente

IMG_0370

Het weer heeft zijn jas uitgedaan
Van wind, winterkou en neerslag
En draagt nu een geborduurde omslag
Van zonnestralen, helder van baan.

Dieren en vogels gaan
Met eigen kreten of zang aan de slag:
Het weer heeft zijn jas uitgedaan
Van wind, winterkou en neerslag.

Rivier, fontein en beek gaan
In een livrei van zilveren pracht
Met druppels door goudsmid bedacht.

Ieder trekt nieuwe kleren aan.
Het weer heeft zijn jas uitgedaan
Van wind, winterkou en neerslag.

Eigen vertaling van:

Rondel

Le temps a laissé son manteau
De vent, de froidure et de pluie,
Et s’est vêtu de broderie
De soleil rayant, clair et beau.

Il n’y a bête ni oiseau
Qu’en son jargon ne chante ou crie:
Le temps a laissé son manteau
De vent, de froidure et de pluie.

Rivière, fontaine et ruisseau
Portent en livrée jolie
Gouttes d’argent d’orfévrerie;

Chacun s’habille de nouveau.
Le temps a laissé son manteau
De vent, de froidure et de pluie.

Charles d’Orléans (1391-1465)

’t Getij liet uit den mantel zijn
van wind en strenge kou en regen
en heeft een luchten zwier gekregen
van helderlichten zonneschijn.

En daar is dier noch vogelrijk,
of in zijn taal roept het u tegen:
’t getij liet uit den mantel zijn
van wind en strenge kou en regen.

Rivier en beek en springfortuin
hebben een staatsie aangekregen
uit zilverdruppels saamgeregen,
een elk wil op het fleurigst zijn,
’t getij liet uit een mantel zijn.

J.H. LEOPOLD
1913

Liedje

De beek stroomt onstuimig
Over de rotsige bodem;
Wie daar niet van gaat zuchten,
Leert het onder het minnekozen.

Russisch-Pools dansliedje
Uit: Polydora (1855), Georg Friedrich Daumer

(Eigen vertaling uit het Duits)

fdfd6098-4fb9-47dd-85d4-cf79548230e9

Kromme Rijn bij Cothen (winter)

St. Alexius, beschermheilige van de bedelaars

Columbia University 1908 Yearbook photo of poet Joyce Kilmer

Wij die dagelijks, om brood bedelend,
In stad en land de straten aflopen,
Laat ons neerknielen op de brede weg en bidden
Tot de heilige met de zwerversvoeten.
Onze altaarkaars is een frisse boterbloem
En ons heiligdom een grazige berm,
Maar Sint Alexius blijft voor ons zorgen,
De vagebond van God.

Hij kreeg een woning in het sjieke Rome
En een prinses als bruid, maar ging er
Op zijn trouwdag vandoor in een roeiboot
De onstuimige stroom van de Tiber af,
Om op de kust van Azië te belanden
Waar de heidense mensen wonen.
Bedelnap in de hand, trok hij er prekend en
Biddend rond en redde hun ziel van de hel.

Krom van de jaren en de pijn, keerde hij
Naar het huis van zijn vader terug.
Niemand bleek deze zwerver te herkennen
Want zijn bebaard gezicht was hun vreemd.
Maar zijn vader zei: “Geef hem te eten en te drinken
En een rustbed onder de trap.”
Alexius kroop naar zijn hok en viel in slaap,
Maar lang zou hij daar niet blijven.

Want toen het nacht werd in de zevenheuvelenstad
Kwam de keizer aangesneld, zeggende:
“Ik hoor dat er een heilige in de buurt is
Die ons komt zuiveren van van onze zonden.”
Waarna ze vergeefs de heilige opzochten,
Want zijn ziel was op een verre reis gegaan
En had zijn vleselijk omhulsel verlaten om
Langs de met goud geplaveide wegen te dwalen.

Wij die dagelijks, om brood bedelend,
In stad en land de straten aflopen,
Laat ons neerknielen op de brede weg en bidden
Tot de heilige met de zwerversvoeten.
Onze altaarkaars is een frisse boterbloem
En ons heiligdom een grazige berm,
Maar Sint Alexius blijft voor ons zorgen,
De vagebond van God!

Joyce Kilmer (1886 – 1918)

(Eigen vertaling van het gedicht ‘St. Alexis, Patron of Beggars’ van Joyce Kilmer)