We hebben veel voor elkander gevoeld, En elkaar niettemin prima verdragen. We hebben dikwijls “man en vrouw” gespeeld. En elkaar toch niet bevochten en geslagen. We maakten plezier met elkaar en we grapten, En zoenden elkaar zo innig dat het klapte. We speelden ten slotte, kinderlijk spontaan, Verstoppertje in velden en bossen rondom. Dat pakten we echter zo grondig aan, We zagen elkaar later nimmer weerom.
Uit: Buch der Lieder, Lyrisches Intermezzo, Heinrich Heine (Eigen vertaling)
O ik wou zo graag dat je nog bij ze verwijlt Die blije dagen dat we vrienden waren Het leven was veel mooier in die tijd En de zon strooide veel warmere stralen
De dorre blaren, klaar om bijeen te garen Je ziet, ik vergat ze niet De dorre blaren, klaar om bijeen te garen Noch het geluk van toen en het verdriet
En de noordenwind neemt ze met zich mee Het kille duister in van het vergeten Weet je, het bleef mij zo goed bij Het lied dat jij toen zong voor mij
Het is een lied Dat bij ons hoorde Jij hield van mij Ik hield van jou We leefden zo Gelukkig samen Jij hield van mij Ik hield van jou
Maar ach, het leven drijft wie liefheeft uit elkaar Zo zachtjes dat geen mens het hoort En van het eens zo hecht verbonden liefdespaar Wist in het zand de zee elk spoor
(Eigen vertaling van het gedicht Les Feuilles Mortes van Jacques Prévert)
Iconische foto van Jacques Brel, Léo Ferré en Georges Brassens
Je kunt uit liefde trouwen, of louter om de poen. Ik heb het heel wat mensen met elkaar zien doen. Lieden arm als luizen en heren hoog gezeten, Kappers met kapsones, notarissen bescheten.
Zelfs als ik tot het eind der tijden door zou leven, Zal één herinnering mij altijd vreugde geven, De dag dat pa en ma naar het stadhuis toe reden Om daar voor de wet hun huwelijksband te smeden.
Op een ossenkar gezeten, ik zeg het zonder jokken, Geduwd door beider ouders, door vrienden voortgetrokken, Ging het oude liefdespaar hun bruiloftsfeestje vieren. Die eeuwige verloving kon heus niet langer duren.
We vormden een processie die echt nergens naar leek En die de goegemeente dus vol wantrouwen bekeek. Ze vonden ons gezelschap een onbeduidend zootje. ‘Wie dat een bruiloft noemt, die neemt ons in het ootje!’
Er stak opeens een windvlaag op, het was ellendig hoor, Die rukte vaders hoed mee en de kinderen van het koor. Tot overmaat van ramp, volgde er een harde regen. Er rustte op dit huwelijk, zo leek het wel, geen zegen.
Nog zie ik hoe de bruid het uitsnikte, och arme, Haar fraaie bruidsboeket verregend in de armen. Ik wilde haar graag troosten en speelde uit alle macht Op mijn harmonica, op volle orgelkracht.
De bruidsjonkers staken een vuist omhoog, in koor Roepend: ‘Bij Jupiter, de trouwpartij gaat door. Al werkt de hemel tegen en lacht het volk ons uit: Die bruiloft gaan we vieren, lang leve onze bruid!’
(Eigen vertaling van het chanson La marche nuptiale van Georges Brassens)