Communie

De Klaagmuur in Jeruzalem
– niemand meer die weet –
maar in den beginne gaf hij antwoord
hij wou troosten
De klagers werden er nog ongelukkiger van
ze wilden ongehinderd klagen
Nu zwijgt hij, al sinds vele eeuwen
en altijd gaat de klager opgelucht weer heen
soms zelfs getroost –

J.C. van Schagen

Een wijsgerig versje van de Zeeuwse dichter, dat ik aantrof in een bibliofiel uitgegeven boekje (Kantels, Slib-reeks nr. 5 – Zeeuws Kunstenaarscentrum Middelburg 1978.)

Oscar Wilde, dichter met mensenkennis

Oscar Wilde was een dichter en schrijver, die de zielenroerselen van mensen dieper wist te peilen dan wie ook. Het onderstaande gedicht over de liefde (maar geen liefdesgedicht!) is daar een mooi voorbeeld van. Het zijn drie strofes uit The Ballad of Reading Gaol, een veel langer gedicht dat Wilde in 1898 schreef naar aanleiding van de ophanging van een medegevangene. De tekst is voor ieder die over enige basiskennis van het Engels beschikt goed te lezen en te begrijpen. Ook daaruit blijkt zijn genie.

Yet each man kills the thing he loves,
By each let this be heard,
Some do it with a bitter look,
Some with a flattering word,
The coward does it with a kiss,
The brave man with a sword!

Some kill their love when they are young,
And some when they are old;
Some strangle with the hands of Lust,
Some with the hands of Gold:
The kindest use a knife, because
The dead so soon grow cold.

Some love too little, some too long,
Some sell, and other buy;
Some do the deed with many tears,
And some without a sigh:
For each man kills the thing he loves,
Yet each man does not die.
















Lof der duisternis

Portret door Michel de Klerk (1921)

Ik heb den dag van heden doorgebracht
zoals hij voor een oude vrouw kan wezen:
wat gewerkt, wat gewandeld, wat gelezen,
en over vele dingen nagedacht.

En verder heb ik met schaamte erkend
dat ik te snel naar de pen heb gegrepen:
had ik mijn oordeel wat fijner geslepen,
ik had mijn medemensen niet gekrenkt.

Nu is na den avond de nacht gekomen:
‘k lig in het duister, in het warme bed;
als een plant, in een perk in d’ aard gezet,
voel ik in de stilte mij opgenomen,

verwonderlijk bevredigd, zalig vrij.
Het leven heb ik achter mij gelaten:
voorbij de dag, de dooltocht door zijn straten
’t leven der mensen trok aan mij voorbij.

Buiten vieren millioenen sterren feest,
daar straalt door heel de nacht hun groot geflonker;
maar binnen heerst het gezegende donker,
dat ook de wonden van het hart geneest.

 

Bovenstaand gedicht van een eminente persoonlijkheid uit de vaderlandse geschiedenis, Henriette Roland Holst – van der Schalk (1869 tot 1952) ontroert mij elke keer als ik het lees, vooral de wonderschone laatste strofe. Het gedicht is een soort biecht, uitmondend in serene zelfaanvaarding, opgeschreven aan het eind van een lang en strijdbaar leven, gewijd aan de emancipatie van arbeiders en vrouwen.

Ik trof het vers als laatste en enige ongebundelde gedicht aan in de Bloemlezing uit de gedichten van Henriette Roland Holst – van der Schalk, gekozen en ingeleid door dr G. Stuiveling (Uitgeverij W. L. & J. Brusse n.v. Rotterdam 1951).

Naast haar politieke geschriften, heeft de dichteres vele gedichtenbundels op haar naam staan. Zij werd al na het verschijnen van haar eerste sonnetten in 1893 door niemand minder dan de Tachtiger Willem Kloos de grootste levende dichter genoemd. Ruim een halve eeuw later, in 1947, werd zij zelfs als “een van de grootste dichteressen aller tijden” (Jan Romein) geëerd met een eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam.

Wie zou anno 2015 haar socialistisch bezielde (en later meer religieus geïnspireerde) gedichten nog lezen? Misschien een enkele vergrijsde christen-socialist. Alleen al het ene ongebundelde gedicht, Lof der duisternis, maakt haar roem als dichter in mijn ogen voorgoed verdiend.

Heel anders van toon en strekking is een thematisch verwant sonnet van Hélène Swarth in haar bundel Late Rozen (1920).

STILTE

Nu wil ik stil zijn, ooft noch roze ruiken,
Geen kus herdenkend mijn gesloten mond,
Los, elke band, die ooit mijn zinnen bond.
Mijn handen vouwen en mijn ogen luiken.

In dons verzonken, waar ik ‘t vergeten vond
Voor ‘t rustend lijf, wil diep ik onderduiken
In de eigen ziel en zetten uit de fuiken,
Beidend tot God mij buit van waarheid zond.

Nu lig ik roerloos en ik wacht en luister —
Doch in mijn afgrond vind ik louter duister,
Waar wijzen waarheid vinden’ en vromen God.

God, zijt gij moe mijn bange bitter beden?
Mag ‘k in mijzelve uw rijk niet binnentreden
Of drijft een Demon met uw kind den spot?