Spijkers uit de tijd. Robuuste bundel van een gevoelige dichter

Vandaag wil ik hier weer eens een dichtbundel bespreken en aanbevelen
van een debuterende dichter die bijzondere aandacht verdient. Spijkers uit de tijd verscheen in september 2020 bij uitgeverij De Wilg in Assen. De dichter is Hans van der Vlugt

In het voorwoord noemt hij zichzelf ‘eigenlijk nog een jonge dichter’. Tot zijn pensionering twee jaar geleden was hij werkzaam als loodgieter. Met het gieten van taal in diverse versvormen begon hij zo’n vijftien jaar geleden. Aanvankelijk overwegend rijmend, koos hij gaandeweg voor het vrije vers, zonder hoofdletters en interpunctie. Het resultaat van zijn dichtkunst presenteert hij in deze debuutbundel, uitgevoerd met een zware stevige kaft en gedrukt in een schreefloze, grote letter.

Met de publicatie van zijn poëtische eersteling markeert Hans van der Vlugt ook een ander belangrijk moment in zijn levensloop, namelijk het succesvol herstel, na twee lange en moeizame jaren, van de slokdarmkanker waaraan hij kort voor zijn pensioen werd geopereerd. Het gaat weer goed, zegt hij in zijn nawoord, ‘Mijn gewicht en energie nemen toe en ik heb weer volop toekomstdromen’.

Een bijzondere achtergrond, die extra benieuwd maakte naar de inhoud van deze bundel. Welnu, ik heb met veel plezier en hier en daar ook met ontroering rondgedwaald in deze verzameling van honderd kortere en langere gedichten. Ze zijn allemaal vanuit de persoonlijke herinnering en beleving van de dichter geschreven. Ultrakorte verzen las ik, waarin geestig met woorden wordt gespeeld, zoals dit…

Alleen

hij kan niet slapen
zij is vertrokken
en snurkt

…maar ook langere gedichten van filosofisch-mijmerende aard; over de aanblik van een eenzame eik, kampeergenoegens, ervaringen met kleinkinderen, intieme momenten met de levenspartner, ouder worden, de zin en de kunst van het leven, omgang met huisdieren, de beleving van ziekte en herstel. Ik las ook een trotse ode aan het loodgietersvak en over mooie herinneringen aan Utrecht. Gedichten dragen soms treffende titels als Gemorst verlangen, In niets zit iets, Alles is een beetje en eindigen meestal met een verrassende clou.

Graag besluit ik mijn recensie met een subliem verwoorde jeugdherinnering, die doet denken aan het werk van die wijze dichter uit het oosten, Willem Wilmink:

Ons trapveldje

met niet te veel gras
de doelpaal dat was onze jas

bij ons werd het spel niet stil gelegd
we waren allen scheids zo gezegd
hadden soms een vliegende kiep
iemand die heel hard liep

de opstelling dat wisten we pas
als iedereen er was

Een digitale dichterskraam in Zeist

Bezoek het digitale open podium van Taalpodium, waarop onder andere mijn voordracht van een gedicht over eenzaamheid te zien en te horen is: http://www.taalpodium.nl/2020/08/taalpodium-digitaal-3-driedaagse-walk-art-markt-dichterskraam-op-slotstad-tv/

Guido Gezelle en Duurzaamheid


‘Duurzaamheid’ is een van de kernbegrippen in het huidige milieudebat. Bladerend in het werk van Guido Gezelle, kwam ik het woord tegen in een gelijknamig gedicht van hem uit 1871. Bij Gezelle heeft duurzaamheid een diep-religieuze lading. Niet verwonderlijk bij deze priester-dichter, die een aantal onsterfelijke gedichten op zijn naam heeft staan.
Het gedicht gaat, in de originele versie, als volgt:

DUURZAAMHEID

De macht ontvalt den mensche aleer hij ‘t weet;
wat baat hem dat hij werkt, en leeft, en eet?
Het leven zelf doet ‘t leven dood, en ‘t is
dat wij geen duur en hebben, ‘t grootst gemis
van al dat ons ontbreekt. o Duurzaamheid
oneindig, al omvattend, uitgebreid,
die, onbegonnen, nooit sterven zult;
die ‘t wezen van het wezen heel vervult,
u ken ik, ja, heb dank; u ben ik? Neen:
want duurzaamheid, o God, zijt Gij alleen!