
DE WIJZE
goeroe slaapwandelend op het drijfzand
prevelt gezangen en gebeden
eenzaam moe onsterfelijk
klanken van gesluierde stralen
en luimige tamboerijn
zweven wuivend over goeroe’s grijzige kruin
heilige geur van zoetkleurige wierook
zegent als zachte regen
de fijn aaneen geweven melodie
lotus onvergankelijk schoon
wordt ter nuttiging aangedragen
onrustig stuiptrekkend op witzilveren bladen
(Dit gedicht schreef ik tijdens mijn studietijd in Nijmegen. Als taaloefening en als -ironisch bedoeld en begrepen- cadeautje voor een bevriende filosoof in opleiding.)