Soms, ’s avonds

Soms, ’s avonds, staat mijn vader in de kamer,
vreemd oud geworden, haast vel over been.
‘Slapen ze, Stientje en de jongens?’ ‘Ja, hoor.’
(Zij mogen hem niet zien.) Hij zucht tevree.’

‘Maken ze ’t goed? Geen zieken? ‘ ‘Nee, geen zieken
gelukkig. Alles prima.’ Hij glimlacht,
klein op een puntje van de bank, zijn benen
nog korter dan toen hij een jongen was.

We praten niet, maar ‘hou je taai, hè!’ knikken
we als vroeger. ‘ ‘k Ga weer eens. Dag knul.’ Hij staat
nog even voor mijn moeders jeugdfoto.

Het tuinhek piept. Ik luister naar zijn stappen,
die vederlichte, bulderende stappen
van iemand die terug moet in de dood.

Dit liefdevolle vadergedicht in sonnetvorm ontroerde mij meteen toen ik het las. Het is het openingsgedicht van de bundel De eerste zestig van C.Buddingh’ uit 1978.

Het ouderlijk huis in Nuenen waarin ik in 1949 het levenslicht zag.

Als jij

Dit is mijn leven,
steen,
als jij. Als jij,
kleine steen;
als jij,
lichte steen;
als jij,
ik zing dat je
over de wegen rolt
en over de trottoirs;
als jij,
bescheiden kiezel van de straat;
als jij,
die op stormachtige dagen
de modder van de aarde
induikt
en dan
vonken slaat
onder de hoeven
en onder de wielen;
als jij, die niet hebt
gediend als steen
van een beursgebouw,
of als steen van een rechtbank,
of als steen van een paleis,
of als steen van een kerk;
als jij,
avontuurlijke steen;
als jij,
die er misschien gewoon
bent voor een katapult,
kleine
en lichte
steen…

(Eigen vertaling van het gedicht ‘Como tú’ van de revolutionaire Spaanse dichter Léon Filipe.)