Srebrenica, 25 jaar later

Ik zag hem weer op tv:
het jongetje in Srebrenica,
met zijn albino konijn in zijn armen,
kwetsbaar en angstig als hijzelf.

Wat is er van hem geworden?

Ik zag hem daarna ook in een droom,
met in zijn ogen de vraag
waarom de grote mensen
zulke vreselijke dingen doen.

Als ik het wist, zou ik het hem zeggen.

Al denk ik niet
dat mijn antwoord hem zou troosten.

Naschrift over mijn eigen betrokkenheid bij ontwikkelingen in voormalig Joegoslavië

Ik was vanaf begin jaren negentig gedurende zo’n 20 jaar verantwoordelijk voor tal van projecten van FNV Mondiaal ter ondersteuning van vakbonden en ngo’s in de Balkan-regio. Ik ben er in die jaren vaak geweest, vooral in Bosnië-Herzegovina en Kosovo, maar ook in andere delen van voormalig Joegoslavië.
In de jaren negentig van de vorige eeuw was de regio voor de derde keer binnen één eeuw het toneel van buitensporig onderling geweld (Na de zogeheten Balkan-oorlogen begin twintigste eeuw en de Tweede Wereldoorlog.). Onder het bewind van Tito was het taboe in Joegoslavië om over de gruwelen uit het verleden te spreken. Daardoor kwamen na zijn dood veel onverwerkt leed en wrok aan de oppervlakte, wat samen met de diepe economische crisis in de jaren tachtig de voedingsbodem vormde voor de opbloei van extreem-nationalisme en uiteindelijk hernieuwd onderling geweld. Vaak tot verbijstering van de mensen zelf. Buren werden in korte tijd vijanden.
Nieuw was -in historisch perspectief gezien- wel dat na deze derde oorlogsepisode de hoofddaders aan diverse kanten van de conflicten voor een internationaal gerechtshof zijn gesleept. Zonder waarheidsvinding en bestraffing van de gepleegde misdaden kan echte verzoening immers nooit tot stand komen. De onderlinge verhoudingen tussen de diverse bevolkingsgroepen zullen vrees ik nog lang verstoord blijven. De angst voor de ander is nog niet weg, wat o.a. blijkt uit de steun bij verkiezingen voor partijen die opkomen voor de eigen ‘etnische’ (dwz door religie onderscheiden) bevolkingsgroep.
In Sarajevo hoorde ik ooit het onheilspellende gezegde: ‘Wij vergeten niets en wij leren niets.’ Toch hoop ik dat in deze enorm gecompliceerde regio, mede door Europese steun aan de opbouw van de civiele samenleving en een levensvatbare economie, op den duur meer welvaart en verzoening tot stand zullen komen. En dat het overheersende sentiment slachtoffer te zijn van elkaars wandaden geleidelijk aan zal slijten.

Getuigen

Ze staan op talloze plekken in en om onze stad,
als stille getuigen van de laatste wereldoorlog,
vaak verscholen onder  een laag mos
of ondoordringbaar struikgewas.

Ze mogen van gewapend beton zijn,
jarenlang in staat de vrede te trotseren,
het kost de bunkers nog steeds moeite
het daglicht te verdragen.

(Foto’s van bunkers De Werken bij Griftenstein De Bilt)

Russisch gedicht van het front

 

Moskou, mei 2009

Stalin

Eerlijk gezegd:
in de loopgraven dachten we echt
niet aan Stalin.
Wel aan God.

Stalin stond buiten onze oorlog
van moord en doodslag, kogels om je oren!
Spreken over hem kwam niet voor.

Waren er geen kranten geweest,
waarachtig, dan zouden we ‘die vreemde naam’
– niet eens Russisch-
gewoon zijn vergeten.

Dit gedicht van de Russische dichter Joeri Semjonovitsj Belasj (1920 – 1988), is opgenomen in een bundel met Russische gedichten van het front: O, wat schreeuwden de vogels, uitgegeven door Mets & Schilt Amsterdam 2001. Vertaald door Marius Broekmeyer en Murk A.J. Popma.