





Naarmate een mens ouder wordt,
duurt de winter almaar langer.
De nachten zijn donkerder,
de voeten vooral ‘s avonds kouder,
de dromen schaarser, bleker,
het hele leven schraler, leger.
Tot op een dag de lente aanbreekt
met al haar kleuren, geluiden en geuren.
De warmte en het licht van de zon
verdrijven de winterdip en doen je
weer gloeien van levenslust,
bevrijd van gedachten aan ziekte en dood.
Kortom, je wordt weer mens!


De zachte luchten zijn ontwaakt;
Ze fluisteren en waaien dag en nacht,
In alle richtingen zijn ze actief.
O frisse geur, o nieuw geluid.
Wees nu, arm hart, niet langer benauwd!
Nu moet alles, alles anders worden.
Elke dag zal de wereld mooier worden,
Je weet niet wat er nog gebeuren kan,
Er komt geen einde aan het bloeien.
In bloei staat het verste, diepste dal:
Nu, arm hart, vergeet je pijn!
Nu moet alles, alles anders worden.
Eigen vertaling van het gedicht Frühlingsglaube (1812) van Ludwig Uhland (1787-1862), als lied getoonzet door Franz Schubert, opus 20 nr. 2