Soms, ’s avonds

Soms, ’s avonds, staat mijn vader in de kamer,
vreemd oud geworden, haast vel over been.
‘Slapen ze, Stientje en de jongens?’ ‘Ja, hoor.’
(Zij mogen hem niet zien.) Hij zucht tevree.’

‘Maken ze ’t goed? Geen zieken? ‘ ‘Nee, geen zieken
gelukkig. Alles prima.’ Hij glimlacht,
klein op een puntje van de bank, zijn benen
nog korter dan toen hij een jongen was.

We praten niet, maar ‘hou je taai, hè!’ knikken
we als vroeger. ‘ ‘k Ga weer eens. Dag knul.’ Hij staat
nog even voor mijn moeders jeugdfoto.

Het tuinhek piept. Ik luister naar zijn stappen,
die vederlichte, bulderende stappen
van iemand die terug moet in de dood.

Dit liefdevolle vadergedicht in sonnetvorm ontroerde mij meteen toen ik het las. Het is het openingsgedicht van de bundel De eerste zestig van C.Buddingh’ uit 1978.

Het ouderlijk huis in Nuenen waarin ik in 1949 het levenslicht zag.

Elegie


Mijn lieve vrienden, als ik gestorven ben
Plant dan een wilgenboom op het kerkhof
Ik houd van zijn betraand gebladerte
De bleke kleur ervan is mij zo dierbaar
En zijn schaduw zal lichtjes vallen
Op de aarde waarin ik zal sluimeren.

Mes chers amis, quand je mourrai,
Plantez un saule au cimetière.
J’aime son feuillage éploré,
La pâleur m’en est douce et chère,
Et son ombre sera légère
A la terre où je dormirai.

Alfred de Musset (1810-1857)
(Eigen vertaling)

IM Joof van Keulen – op zijn 77-ste geboortedag

Sterren

O de heilige onsterflijke sterren, hoog boven mijn sterfelijk hoofd,
Waar ’t geloof met zijn kindervertrouwen mij een hemel eens had beloofd,
Als deze ogen zich sluiten voor eeuwig en dit lijf wordt ten grave gebracht,
O de stille onbegrijplijke sterren! o ’t mysterieënheir van de nacht!

Lief, de dag is zo druk en zo nuchter, zo voor ’t kleine en voor ’t stofflijke alleen,
En de mensen verloochnen hun ziel en naar ’t eeuwige leven vraagt geen.
Kom met mij waar de heilige nacht met haar ogen van sterren wenkt,
Waar een adem van liefde ons omzweeft en de Hoop met haar beker ons drenkt.

Lief, eens zullen wij sterven, wij beiden, wij samen of ieder alleen,
En het graf is zo diep en de hemel zo hoog en of God leeft weet geen.
En ‘k heb niets dan de stem van mijn hart, die mij ’t eeuwige leven belooft,
En de heilige onsterflijke sterren, hoog boven mijn sterfelijk hoofd.

Hélène Swarth (1858-1941)