Een ode aan Kees Stip

Het eerbetoon van schrijver/dichter Ivo de Wijs aan plezierdichter Keest Stip op tv bij Mathijs gaat door inspireerde mij tot herlezing van het hierboven afgebeelde boekje. Dit literair kleinood werd uitgegeven in 1956 bij L.J.C. Boucher ’s-Gravenhage, fraai voorzien van vignetten van Jean Paul Vroom. Het bleef niet bij lezen alleen: ik waagde de poging om zelf ook twee dierenversjes te maken, in de trant van Trijntje Fop.

Op een walrus

Een walrus op een eenzaam wad
Had graag een lieve vrouw gehad.
Hij tuurde elke dag rondom
Of ergens niet zo’n leukerd zwom.
Zag wel een lagerwalrussin.
Daar zat voor hem geen toekomst in.

Op een pauw

Een trotse pauw uit Overveen
Heeft graag veel kijkers om zich heen.
Zijn ijdelheid wordt vaak beloond:
Als hij zijn pauwenpluim vertoont,
Vergapen zich – ‘t is ongelogen –
Wel honderdvijftig pauwenogen!

Goudvis

Wat gaat er eigenlijk om in een goudvis?
Kent hij ook gevoelens van gemis?

Heeft hij besef van de wisseling der seizoenen,
of van de geur van rijpe meloenen?

Ik denk dat een vis heel anders is
dan een jubilaris of een rondemiss.

Toch wil een goudvis wellicht ook wel eens zoenen
en heb ik het weer eens grondig mis…

De jas van Dorus

Wat mot dat? vroeg de mot
aan een vlinder in zijn kast.

Ik zoek de jas van Dorus,
zei de vlinder heel gevat.

Ze hebben om die oude jas
nog heel lang mot gehad.

Fotoportret Tom Manders (1968)
door Jac. de Nijs, Nationaal Archief Den Haag