Zonder diversiteit
Geen schoonheid
Zonder diversiteit
Geen waarheid
Zonder diversiteit
Geen goedheid
Zonder diversiteit
Geen mensheid

Zonder diversiteit
Geen schoonheid
Zonder diversiteit
Geen waarheid
Zonder diversiteit
Geen goedheid
Zonder diversiteit
Geen mensheid


Zo een enorme paardenkastanje
een paar etages hoog
in volle bloei
bij een deftig donker huis
op een zoet geurende lenteavond
heeft iets dramatisch
pathetisch zelfs
als een operadiva op leeftijd
over de top opgemaakt
en beladen met
fonkelende juwelen
of een gigantische bruidstaart
met te veel kaarsjes
om in twee adems
uit te blazen.


Bij avond wordt het bos zo heel, heel anders;
Het krijgt de kleur van hoge herfsttijlozen.
De bomen gaan lijken op grijpgrage handen,
Of, als je maar goed kijkt, op heel erge boze
Wolven, op het punt je te verslinden.
Je was een kind en het bos werd donker:
Je kon het pad haast niet meer vinden,
– O! alles was zo heel erg donker! –
Een ander kind zou gaan schreien,
Maar jij niet: jij was huppelend, blij
En met een mand vol lekkers bij je
Op weg naar grootmoeders boerderij.
Geestig en deels actueel (wolven!) gedicht van Gerrit Komrij in zijn dichtbundel Tutti frutti (1972) Een vervlechting van het bekende sprookje en een jeugdherinnering?