Het boze bos

Nuenens Broek

Bij avond wordt het bos zo heel, heel anders;
Het krijgt de kleur van hoge herfsttijlozen.
De bomen gaan lijken op grijpgrage handen,
Of, als je maar goed kijkt, op heel erge boze

Wolven, op het punt je te verslinden.
Je was een kind en het bos werd donker:
Je kon het pad haast niet meer vinden,
– O! alles was zo heel erg donker! –

Een ander kind zou gaan schreien,
Maar jij niet: jij was huppelend, blij
En met een mand vol lekkers bij je
Op weg naar grootmoeders boerderij.

Geestig en deels actueel (wolven!) gedicht van Gerrit Komrij in zijn dichtbundel Tutti frutti (1972) Een vervlechting van het bekende sprookje en een jeugdherinnering?

Hoe is het mogelijk?

Hoe is het mogelijk,
vraag ik mij steeds vaker af,
dat wij andere zoogdieren opeten?
(Dat wil zeggen: de meesten onder ons,
ikzelf inbegrepen.)

Kippen, sprinkhanen, vissen, alla.
Maar andere schepselen die, net als wij,
een hart hebben en een moeder en baby’s,
en intelligent zijn en sensaties kennen
van genot en pijn, ja zelfs gevoelens
van vreugde en smart…?

Hoe is het mogelijk?

Ik betreur de opvoeding,
waarin ons het eten van vlees als
de doodnormaalste zaak van de wereld
is bijgebracht, zonder acht te slaan
op zoiets als intersoortelijke solidariteit.

De mensen die vegan door het leven gaan
bewonder ik,
al hoop ik dat ze toch ook compassie voelen
met de onvolkomenheid van mijn bestaan.

Steeds urgenter

De aarde wordt geplunderd.
Oorlogen gaan voort.
De wapenhandel bloeit.
Kinderen vermoord.

Is er iemand die het boeit?
Waart alom de duivel rond?
Steeds urgenter wordt de vraag:
Hoe blijf je geestelijk gezond?

Het antwoord lijkt mij toch:
Laat de hoop niet smoren
En blijf elke dag opnieuw
De roep om vrede horen.