Tranenregen

We zaten zo knusjes tezamen
Verkoeld door ‘n elzenboom,
We keken zo knusjes tezamen
Omlaag naar de kabb’lende stroom.

De maan was ook verschenen,
De sterren erachteraan,
Om samen, o zo tevreden,
In de zilveren spiegel te staan.

Die maan kon mij niet schelen,
Sterren, ik zag er geen,
Ik staarde naar haar verschijning,
En zag haar ogen alleen.

Ik zag ze knikken en kijken
Vanuit de zalige stroom,
De bloempjes, zo blauw, aan de oever,
Die knikten en keken net zo.

En in de beek verzonken
Straalde heel de hemelbaan
En wilde mij mee naar onder
Zijn diepte in doen gaan.

En over de wolken en sterren,
Kabbelde de beek blij voorbij
En riep, al zingend en klinkend,
Een vriendengroet naar mij!

Toen stroomden mijn ogen vol tranen,
Het spiegelbeeld werd opeens vaag;
Ze zei: “Er komt een regenbui,
Ik ga naar huis. Dus, daag.”

Uit de gedichtencyclus ‘Die schöne Müllerin’ van Wilhelm Müller

(Eigen vertaling)

Gezin

Moeder breit
Zoonlief is naar de oorlog
Ze vindt dat heel gewoon, moeder
En wat doet vader eigenlijk?
Hij doet in zaken
Zijn eega breit
Zijn zoon voert oorlog
Hij doet in zaken
De gewoonste zaak van de wereld, vindt de vader
En de zoon
Wat vindt de zoon ervan?
Die vindt niks, helemaal niks, de zoon
De zoon zijn moeder breit, zijn pa verdient geld en hij doet aan oorlog
Als hij met de oorlog klaar is
Gaat hij samen met papa zakendoen
De oorlog gaat door, de moeder ook, ze breit
De vader gaat door met zakendoen
De zoon is gesneuveld, hij gaat niet meer door
Vader en moeder gaan naar het kerkhof
Dat vinden ze vanzelfsprekend, allebei
Het leven vervolgt het leven met het breiwerk, de oorlog en de zaken
De zaken, de oorlog, het breiwerk, de oorlog
De zaken, de zaken en de zaken
Het leven met het kerkhof.

(Eigen vertaling van het gedicht Familiale van Jacques Prévert)

Verloren tijd

Voor de fabriekspoort
staat de arbeider plotseling stil
het fraaie weer heeft hem bij de jas getrokken
en als hij zich omdraait
en naar de zon kijkt
helemaal rood helemaal rond
lachend aan zijn loden hemel
knipoogt hij
amicaal
Zeg eens kameraad Zon
vind jij ook niet
dat het nogal dom is
om zo een mooie dag weg te geven
aan een baas?

(Eigen vertaling van het gedicht Le temps perdu van Jacques Prévert)


Lentevertrouwen

Lindebloesem

De zachte luchten zijn ontwaakt;
Ze fluisteren en waaien dag en nacht,
In alle richtingen zijn ze actief.
O frisse geur, o nieuw geluid.
Wees nu, arm hart, niet langer benauwd!
Nu moet alles, alles anders worden.

Elke dag zal de wereld mooier worden,
Je weet niet wat er nog gebeuren kan,
Er komt geen einde aan het bloeien.
In bloei staat het verste, diepste dal:
Nu, arm hart, vergeet je pijn!
Nu moet alles, alles anders worden.

Eigen vertaling van het gedicht Frühlingsglaube (1812) van Ludwig Uhland (1787-1862), als lied getoonzet door Franz Schubert, opus 20 nr. 2

Een schrijvers’ vulpen aan het woord


Op een dag schreef ik niet meer en liet ik een vrouw achter,
vastgebonden op een spoorbaan.
En wat gebeurde er toen?
De trein kon niet verder; hij stopte met een
voet in de lucht, net als het paard van Napoleon op die brug
toen het besefte dat er een plank ontbrak.
Wat gebeurde er verder?
Toen ze de pen weer vulden, jaren later pas,
reed de trein achteruit, en een oude vrouw
klom erin: ze had al die tijd gewacht
of ze gered zou worden, of gedood. Ze voelde zich bedrogen
om die vreemde wending.
Waar is zij nu?
Op deze bladzijde, verborgen in de inkt die je ziet.

(Eigen vertaling van het gedicht A writer’s fountain pen talking,
van de Amerikaanse dichter William Stafford.)