Een koegedicht


Een koe met wonderschone ogen
Had in haar leven nooit gelogen.

Maar toen ze rijp bleek voor de slacht
Heeft ze een slimme list bedacht.

Bij Gerrit Achterberg had ze gelezen
Dat een dichter best een koe kan wezen.

Dus waarom niet eens omgekeerd?
De boer had weer iets nieuws geleerd.

Hij heeft het leven van de koe gespaard.
De dichtkunst was hem dat wel waard.

Laatbloeier (light verse)


Hij was een laatbloeier. Zij wat verlept.
Maar – eenmaal verliefd – snel opgepept.
Want, hoe traag het soms ook gaat:
Als de liefde ontluikt, is het nooit te laat.