
Klein, klein kikkertje,
Wat doe je in mijn hof?
Je geeft niet om de bloempjes,
Gedraagt je ook niet grof.
Ik hoor je zelfs niet kwaken,
Dat doet een andere soort.
Zorg maar dat je groot wordt,
Tevree en ongestoord.

Klein, klein kikkertje,
Wat doe je in mijn hof?
Je geeft niet om de bloempjes,
Gedraagt je ook niet grof.
Ik hoor je zelfs niet kwaken,
Dat doet een andere soort.
Zorg maar dat je groot wordt,
Tevree en ongestoord.

Zo een enorme paardenkastanje
een paar etages hoog
in volle bloei
bij een deftig donker huis
op een zoet geurende lenteavond
heeft iets dramatisch
pathetisch zelfs
als een operadiva op leeftijd
over de top opgemaakt
en beladen met
fonkelende juwelen
of een gigantische bruidstaart
met te veel kaarsjes
om in twee adems
uit te blazen.


Ik houd van stilte.
Maar er klinkt steeds meer lawaai
in de wereld om ons heen;
zelfs daar waar geen oorlog woedt.
Ook mensen spreken almaar
luider met elkaar, overal.
Er heerst steeds meer on-stilte;
en dat maakt ons ziek.
Laten we daarom eisen
dat de stilte terugkeert!
Maar hoe doen we dat – zonder
het laatste restje stilte te verstoren?