Onze liefde

Als we onze namen hebben gesneden
In de bomen met najaarsweeën
Kunnen de vogels gaan zingen
En wij elkaar beminnen

Ik ben degene op wie jij wacht
Ik ben degene die naar jou smacht
Heel lang al
O zo lang al
Mocht je mij toch ooit vergeten
Ik blijf altijd aan je denken, weet je…

Als onze namen bijna zijn verdwenen
Op de bomen met najaarsweeën
Kunnen de vogels naar elders wijken
En wij eraan bezwijken

Ik was degene op wie jij wacht
Ik was degene die naar jou smacht
Heel lang al
O zo lang al
Mocht je mij toch ooit vergeten
Ik blijf altijd aan je denken, weet je…

Want mijn liefde is sterker dan de liefde

(Eigen vertaling van het chanson Notre Amour van Léo Ferré)

Sterren

O de heilige onsterflijke sterren, hoog boven mijn sterfelijk hoofd,
Waar ’t geloof met zijn kindervertrouwen mij een hemel eens had beloofd,
Als deze ogen zich sluiten voor eeuwig en dit lijf wordt ten grave gebracht,
O de stille onbegrijplijke sterren! o ’t mysterieënheir van de nacht!

Lief, de dag is zo druk en zo nuchter, zo voor ’t kleine en voor ’t stofflijke alleen,
En de mensen verloochnen hun ziel en naar ’t eeuwige leven vraagt geen.
Kom met mij waar de heilige nacht met haar ogen van sterren wenkt,
Waar een adem van liefde ons omzweeft en de Hoop met haar beker ons drenkt.

Lief, eens zullen wij sterven, wij beiden, wij samen of ieder alleen,
En het graf is zo diep en de hemel zo hoog en of God leeft weet geen.
En ‘k heb niets dan de stem van mijn hart, die mij ’t eeuwige leven belooft,
En de heilige onsterflijke sterren, hoog boven mijn sterfelijk hoofd.

Hélène Swarth (1858-1941)

Sprankelend water

Mijn liefje is als water
Als sprankelend water is ze
Ze rept zich voort als een bergbeekje
Die kinderen proberen bij te benen

Loop maar, loop maar
Loop maar zo hard als je kunt
Nooit, nee nooit
Zullen jullie haar inhalen

Als de herdersfluitjes klinken
En het water vrolijk danst
Brengt zij mijn kuddes
Naar het land van de olijfbomen

Kom maar, kom maar mee
Mijn lieve geitjes en lammetjes
Naar waar de laurieren groeien
En de wilde tijmsoorten bloeien

Mijn lustig watertje lag op een dag
Te sluimeren in het riet
Toen kwamen de jongens van het dorp
En namen haar mee als trofee

Doe die kooi van jullie maar dicht
Desnoods met een dubbel slot
Het rappe water glipt toch zo
Tussen jullie vingers door

Ze hoeven haar maar even aan te kijken
En de jongemannen raken op drift
Als bootjes die door een snelle
Vliet worden meegevoerd

Drijf maar, drijf maar weg
Morgen meren jullie vast ergens aan
Dit speelse watertje is echt
Nog niet aan trouwen toe

Toch zal mijn bruisend watertje
Bij het krieken van een nieuwe dag
Ooit haar bruidsschat opeisen
Bij de kiezelstenen langs de oever

Huil maar, huil maar
Als ik dan eenzaam achterblijf
En mijn beekje lief
In de brede stroom is opgegaan

(Mijn vertaling van het chanson L’eau vive van Guy Béart)