Een schrijvers’ vulpen aan het woord


Op een dag schreef ik niet meer en liet ik een vrouw achter,
vastgebonden op een spoorbaan.
En wat gebeurde er toen?
De trein kon niet verder; hij stopte met een
voet in de lucht, net als het paard van Napoleon op die brug
toen het besefte dat er een plank ontbrak.
Wat gebeurde er verder?
Toen ze de pen weer vulden, jaren later pas,
reed de trein achteruit, en een oude vrouw
klom erin: ze had al die tijd gewacht
of ze gered zou worden, of gedood. Ze voelde zich bedrogen
om die vreemde wending.
Waar is zij nu?
Op deze bladzijde, verborgen in de inkt die je ziet.

(Eigen vertaling van het gedicht A writer’s fountain pen talking,
van de Amerikaanse dichter William Stafford.)

De populier

Hij staat in een tuin in de stad,
alleen en verloren en groot,
met wuivende kruin, en ‘t geruis
der winden door twijg en in blad,
dit lied van verlangen en nood,
is hoorbaar tot diep in het huis.

Ik zie hem des morgens door ‘t raam
der keuken, bij ‘t haastig ontbijt.
Zoals men zijn vrouw en zijn kind
begroet, noem ik hem bij zijn naam.
Hij wuift dan als waar’ hij verblijd,
die makker, mijn vennoot en vriend.

Nooit merkte ik dat hij was gegroeid,
ik zag hem altijd zoals nu:
eenvoudige boom, die, gezond,
slechts ééns in het jaar, als hij bloeit,
zo gek doet als koning Ubu
en jong wordt en vriendelijk en blond.

Ik zal eerder doodgaan dan hij…
En als ik op ‘t bed lig en snak
naar licht en naar lucht en — naar wat?
zal hij, onverschillig en blij,
het lied dat de dood in mij brak
nog voortzingen over de stad.

Jan van Nijlen (1938)

De vogels

Dit gedicht, met zijn sterke laatste strofe, stamt duidelijk uit de vooroorlogse crisisjaren van de vorige eeuw. Wat mij in dit sonnet frappeert, is dat de dichter toen al uitging van een breed armoedebegrip. Een mens leeft niet van brood alleen, maar heeft ook recht op sociale en culturele participatie, om een menswaardig leven te kunnen leiden. Na de tweede wereldoorlog werd deze opvatting leidraad bij de opbouw van de verzorgingsstaat. Bescherming van de burger tegen armoede en uitsluiting werd door de overheid erkend als een recht in plaats van een gunst. Martinus Nijhoff toont zich in zijn gedicht ‘De vogels’ een voorloper van deze humane maatschappijvisie.