
Diep in het boerenland ben ik geboren,
Maar daarmee is dan alles ook gezegd;
’k Heb hot en huu geroepen maar de voren
Die ik geploegd heb, lagen nimmer recht.
Ik liep op hoge klompen maar het koren
Dat ik gezaaid heb, deed het altijd slecht;
En sprong en stond het varken naar behoren
Dan kwam nóg van het zaad geen big terecht.
Nu zaai ik enkel nog wanneer ik dicht
En zie : de oogst is haast niet te verzetten,
De paarden zweten voor het halve mes.
De hengst springt in ‘t oktaaf van mijn sonnetten
En reeds in het sextet draaft vederlicht
Het veulen met een smetteloze bles.
Jan Elemans
Uit: de bloemlezing Hedendaagse Brabantse dichters
Samengesteld en ingeleid door Dr Harrie Kapteijns ‘s-Hertogenbosch 1951