Een sonnet van Willem Kloos

IMG_2229

God is geen koning, op een troon aan ’t pralen,
Met, rond hem, engelenstoeten, wijd uit zwierend,
Die, diep door gouden loftrompetten gierend,
Een enkel ding steeds aan elkaar herhalen, –

Daarna, bij hellen klinkslag van cymbalen,
Ten rei geschaard, in d’aether feesten vierend
Terwijl Zijn hand, des hemels dans bestierend,
Het Al regeert tot de aller-verste palen.

God is in eenvoud van spontane woorden,
In zelf-genoegzame muziek-accoorden,
In ’t hart, dat in zichzelf zijn glorie vindt.

God is in zonneschijn en mededoogen,
In klare’ azuurglans van onwetende oogen,
In ’t luid-uit lachen van het schuldloos kind.