De dichter als camera

ze ligt doodstil
al een uur lang
waarom zou je je bewegen
als ik nader -waarom moet ik dit nu schenden-
als ik toch, nieuwsgierig, moedwillig storend, nader
als ik toch, toenaderend en vertederd, nader
staat ze beleefd op
ze ziet me ernstig vragend aan
hoe zuiver
gespitst
en wat een intelligent kopje
ze verwacht nu iets van me
natuurlijk
ik zie haar aan
ik zeg iets vriendelijks
en nu verwacht ik ook wat
ze wendt de kop af – dit is te moeilijk
niets eetbaars
ze laat wat vallen van verlegenheid
zo vreemd
ik beweeg me niet
dan gaat ze eindelijk maar weer liggen
je kan niet blijven staan wachten
blijkbaar ben ik niets
dan ga ik maar
sorry
ik heb je teleurgesteld
jij mij
zuster schaap
waarom heb je niets gezegd?

 

IMG_2263.JPG
Dit sublieme en geestige gedicht is van de Domburgse dichter J.C. van Schagen (1891-1985).
Het beschrijft op een filmische wijze de tot mislukking gedoemde ontmoeting tussen de dichter en een schaap. Gelukkig geldt het hier beschrevene niet voor elke poging tot contact tussen mens en dier.

Ik ga maar en ben

66EDD1EF-89E9-4D00-AB88-6CB5DF02058B

In een Utrechtse kraam met tweedehandsboeken vond ik een gaaf exemplaar van de in 1946 verschenen gedichtenbundel Onderaardsch van J.C. van Schagen (1891-1985). Slechts één euro vroeg de handelaar voor deze kleine schat. Met dichters als Guido Gezelle, Hans Lodeizen en Jan Hanlo heeft deze Domburgse bard mij in mijn puberjaren het wonder van de poëzie leren ontdekken. Hij was oorspronkelijk jurist en werd ook nog beeldend kunstenaar.

Ik vind het volkomen terecht dat Gerrit Komrij niet minder dan 6 gedichten van hem heeft opgenomen in zijn canon van de Nederlandse poëzie (uitgave 2004, deel I, blz. 819-822).

De meeste gedichten uit Onderaardsch hebben een plek gekregen in de bloemlezing Narrenwijsheid en ander onkruid uit 1961, dat in de boekenkast van mijn Nijmeegse studentenkamer prijkte. De gedichten en prozastukken van J.C. van Schagen vormen een mengeling van wijsgerige eenvoud, bittere zelfspot, peilloze melancholie, grenzeloze tederheid en een pantheïstisch geïnspireerde natuurliefde. Ik herkende, zo jong als ik was, in hem een soort zielsgenoot.

Uit zijn gedicht Confessio in media nocte: “Ik zeg bijna nooit meer wat ik denk,/ Want ik denk bijna nooit meer iets,/ Dat gezegd kan worden.” In het gedicht Timide zegt de dichter over zijn witte manchetten: “ze maken me een beetje verlegen/ het zijn zulke heren/ en ik ben maar een jongen.

In een bloemlezing van uitgeverij de Prom uit 1985 staat het gedichtje vriendje over de kortstondige ontmoetingen die de dichter ’s morgens vroeg soms heeft met een “kleine padde”. Ze groeten elkaar, maar eigenlijk heeft het diertje geen tijd: “probeert een beleefd hupje / dit is: nu niet meer storen“. Zelf schreef ik ook eens een versje over de ontmoeting tussen een pad en een …kikker.

Een kikker kruist een pad
Klein genoeg om op te eten
Wat ik wel zou willen weten:
Dóén kikkers met padden dat?