De dichter als camera

ze ligt doodstil
al een uur lang
waarom zou je je bewegen
als ik nader -waarom moet ik dit nu schenden-
als ik toch, nieuwsgierig, moedwillig storend, nader
als ik toch, toenaderend en vertederd, nader
staat ze beleefd op
ze ziet me ernstig vragend aan
hoe zuiver
gespitst
en wat een intelligent kopje
ze verwacht nu iets van me
natuurlijk
ik zie haar aan
ik zeg iets vriendelijks
en nu verwacht ik ook wat
ze wendt de kop af – dit is te moeilijk
niets eetbaars
ze laat wat vallen van verlegenheid
zo vreemd
ik beweeg me niet
dan gaat ze eindelijk maar weer liggen
je kan niet blijven staan wachten
blijkbaar ben ik niets
dan ga ik maar
sorry
ik heb je teleurgesteld
jij mij
zuster schaap
waarom heb je niets gezegd?

 

IMG_2263.JPG
Dit sublieme en geestige gedicht is van de Domburgse dichter J.C. van Schagen (1891-1985).
Het beschrijft op een filmische wijze de tot mislukking gedoemde ontmoeting tussen de dichter en een schaap. Gelukkig geldt het hier beschrevene niet voor elke poging tot contact tussen mens en dier.

Mijn Nijmeegse jaren

Domweg gelukkig was ik in de Annastraat
één hoog achter op nummer zeventien,
waar een huisgenoot boven mij ’s ochtends vroeg
stampvoetend theologische traktaten kraakte,

terwijl die naast mij, na een lange nacht vol drank
en sigaretten, pas rond het middaguur ontwaakte,
om jaren later toch nog glansrijk te promoveren
op het denken over de liefde bij Thomas van Aquino;

en ik op hetzelfde tijdstip met een bevriende filosoof,
wiens geest ontregeld was door Wittgenstein’s Tractatus,
mijn dagelijkse promenade langs de Waalkade maakte,

waar wij samen, met gepast ontzag, over het water
opkeken naar de brug, vanwaar Nescio’s Japi
op een mooie zomerochtend zijn fatale afstap waagde.

Dit sonnet over mijn Nijmeegse studentenjaren (1967-1973) verscheen in het septembernummer van Tempora Nostra, het blad van de reünistenvereniging Beekvliet. Het Latijnse motto van deze vereniging luidt: ‘Nunc Meminisse Iuvat’, wat wil zeggen: ‘Nu is het een genoegen eraan terug te denken.’ Dit is een zinspeling op een vers uit de Aeneis van Vergilius (1, 203) ‘Forsan et haec olim meminisse iuvabit’: ‘Misschien zal het eens een genoegen zijn, ook aan dit lijden terug te denken…’

Voor meer herinneringen aan mijn studentenjaren zie: Het einde van de eeuwigheid

 

Afbrokkelende hersenen

IMG_0355
Bron: wodc.nl

Met enkele andere dichters verzorgde ik op Nationale Gedichtendag 2006 een poëzieprogramma in een Utrechts zorgcentrum. Het publiek op de voorste rijen bestond uit psychogeriatrische bewoners in rolstoel. Hun verstarde, in zichzelf gekeerde, gezichten vertoonden geen enkele emotie. Behalve dan bij die ene mevrouw die af en toe onder de voordracht uitriep: “Wat mooi, wat mooi!” Ik moet hieraan terugdenken op Wereld Alzheimer Dag.

Uit eigen ervaring met mijn dementerende moeder weet ik dat vooral de overgangsfase erg zwaar is, vol angsten, wanen, verwarring en verdriet, en soms ook hilariteit. “Mijn hersens brokkelen af`”, zo vatte moeder treffend de boodschap van de arts samen over de bij haar aangetroffen hersenaandoening. Volgens verpleeghuisarts en filosoof Bert Keizer brokkelt daarmee ook de ziel af, die immers zetelt in ons brein. 

Mijn eigen angst voor dit proces vond zijn weg naar een gedicht. Het sloot de dichtbundel af die verscheen op de dag dat ik Abraham zag (Als ik 50 word, 1999). Wie weet, werkt het schrijven of lezen van gedichten vertragend: poëzie tegen dementie!

EXIT

Het wemelt van de taalfouten
in je hoofd en ander ongerief.

Zinnen ontsporen als treinen
in een zandstorm. Klanken

verliezen hun kleur. Uit je
oren stroomt verdriet. Je

vingers slaan steeds meer
tonen mis onder je verbaasde

blik. Zelfs de wellust knaagt
niet meer aan je: alsof het

sop de kool niet waard is.
Het deurslot zoekt moeizaam

naar de sleutel in je hand.
Ook wie het leven toelacht,

lacht ten leste niet.