Totempalen

 

Er heerst weer een ware pandemie van stokrozen in de stad.  Vroeg in de zomer verschijnen ze in allerlei kleuren en maten, langs straten, stegen en kaden. Ze laten het verschil tussen stad en platteland vervagen.

Stokrozen houden van steden om hun rijkdom aan stenen, plavuizen en muren, steeds op zoek naar kieren en gaatjes waar hun zaadjes veilig en warm kunnen ontspruiten; om vervolgens uit te groeien tot metershoge totempalen, rijk getooid met bloemen van kwetsbaar ogend en toch sterk crêpepapier.

Vanaf mijn fiets groet ik vol bewondering de vele, gretig bloeiende stokrozen met hun fraaie pastelkleuren of intens donkere tinten: ‘Wat heerlijk om met jullie in deze stad te wonen!’

 

Geuren van de goede wereld

‘Een twijgje van het kruid basilicum, aan den neus gehouden, doordringt den mensch met fijnen geur en vrede; een gering blaadje tijm, tusschen de vingers gewreven, het behoeft niet meer dan een splinter te zijn, riekt naar een stille, warme wereld; een groen takje dil, als men den tijd neemt het lang en diep te bekijken, is een gewas waaraan een sterrenhemel kleine geele bloemen bloeit; en als ge kruizemunt fijnwrijft, waait u uit de dalen van een gezegend landschap een frissche wind tegen. Het is goed aan kruiden te ruiken in dagen van zwarigheden; ze ruiken naar de goede wereld.’

Uit: 100 avonturen met een pollepel, zijnde de getrouw te boek gestelde ervaringen van een liefhebber in de kookkunst versierd met velerlei raadgevingen en wenken door J.W.F. Werumeus Buning bij H.J.W. Becht aan de Heerengracht te Amsterdam (1939)