Afscheid van een biechtvader

Janskerk Utrecht

Er was geen spoor van smart
toen ik die koude winterdag
het opgebaarde lichaam zag,
bezweken onder de last
van pastorale plichten

van hem die eens, zo gretig
elk tederheidsverlangen
beproevend en kastijdend,
mijn onvast jongenshart
met schuldbesef ontwrichtte.

Daar lag hij dan:
de lange schaduw
van mijn puberteit.

Ik ging naar buiten
naar het licht en
waande mij bevrijd.

Bovenstaand gedicht heb ik in het najaar van 2005 gepubliceerd in: Spiegels en kralen, negende verzamelbundel van de Vereniging TAALPODIUM (TULIP Utrecht) en in een jubileumuitgave van Tempora Nostra, tijdschrift van de reünistenvereniging van het voormalige klein-seminarie Beekvliet.

In zwarte coltrui

Het Franse chanson is lang uit de mode geweest, maar beleeft sinds enige tijd een opleving, dankzij nieuwe vertolksters als Wende. Wat goed is zal nooit verdwijnen.
Het lijdt voor mij geen twijfel: mijn liefde voor de poëzie is opgewekt door het beluisteren (en zingen) van Franse chansons in mijn jongelingsjaren. In de jaren zestig werden veel van de Franse “luisterliedjes” vertaald door Ernst van Altena en gezongen door de, nog altijd optredende, enige Nederlandse diva op het zangpodium: Liesbeth Liszt. Mijn eigen voorkeur ging toch uit naar de originele Franse teksten en hun vertolkers. Chansonniers met grote namen als Yves Montand, Gilbert Bécaud, Georges Brassens, Guy Béart, Léo Ferré, Jean Ferrat, Jacques Brel en, niet te vergeten, de zangeressen Edith Piaf, Francoise Hardy, Anne Sylvestre en Barbara. Ik schreef adorerende stukjes over ze in de schoolkrant. 
Mijn toenmalige leraar Frans op het internaat (Beekvliet) draaide tijdens de les regelmatig plaatjes met chansons van het wat lichtere en vooral brave genre. Je moet dan denken aan de vrolijke liedjes van Les Frères Jacques en de religieuze ballades van Soeur Sourire; de zingende non uit België, die in werkelijkheid Jeannine Deckers heette en met wie het slecht zou aflopen. Maar dat wisten we allemaal nog niet, toen we haar in onze schoolbanken zo zoetjes hoorden zingen over de vele omzwervingen van Père Dominique (1963), de heilige Dominicus, befaamd ketterjager. Eén keer, herinner ik mij, draaide meneer Geboers de immens populaire hit van Adamo: “Vous permettez, monsieur?”. Maar die tekst vond de nogal bigotte leraar eigenlijk al te lichtzinnig voor de (rode) oortjes van de aan zijn zorg toevertrouwde priesterkes-in-de-dop.
Zoals gezegd, hield ik toch meer van het literaire chanson. Op zogeheten ”bonte avonden” zong ik ze op het podium, verkleed als chansonnier, dat wil zeggen in zwarte outfit mét coltrui. Daarbij werd ik heel professioneel begeleid op de vleugel door een oudere medestudent, Jan van der Sangen. De pikante of anarchistische inhoud van sommige chansons van bijvoorbeeld Brassens en Ferré viel niet bij elke opvoeder in de smaak. Maar men vertrouwde erop dat het gros van de jongens de Franse teksten toch niet verstond…

zingen is ook leuk