Beekvliet (gedicht)

grote-studiezaal-beekvliet

Het witte licht valt door de tuimelramen.
Mijn eerste ochtend in de studiezaal.
Ik tuur onwennig naar de initialen
in de vernislaag van mijn lessenaar.

Oud is het meubel als het seminarie,
maar nieuw mijn potlood en mijn liniaal.
En naast mijn pennenzak met idealen
liggen de boeken, onbeduimeld, klaar.

Van buiten komt de geur van natte bladeren,
heel lichtjes met latrinelucht doordrenkt.
Ik voel het heimwee en het najaar naderen
en ben beducht voor wat het leven brengt.

 

(Eerder verschenen in mijn dichtbundel Vallend Licht, 2001)

Afscheid van een biechtvader

Janskerk Utrecht

Er was geen spoor van smart
toen ik die koude winterdag
het opgebaarde lichaam zag,
bezweken onder de last
van pastorale plichten

van hem die eens, zo gretig
elk tederheidsverlangen
beproevend en kastijdend,
mijn onvast jongenshart
met schuldbesef ontwrichtte.

Daar lag hij dan:
de lange schaduw
van mijn puberteit.

Ik ging naar buiten
naar het licht en
waande mij bevrijd.

Bovenstaand gedicht heb ik in het najaar van 2005 gepubliceerd in: Spiegels en kralen, negende verzamelbundel van de Vereniging TAALPODIUM (TULIP Utrecht) en in een jubileumuitgave van Tempora Nostra, tijdschrift van de reünistenvereniging van het voormalige klein-seminarie Beekvliet.