En dan die arme kikkers…

A3981628-7494-4F23-B6D8-F3E83B1F1C4E

Onze met botanische plantensoorten gevulde stadstuin biedt een goed leefmilieu voor kikkers. Bij elke vluchtige ontmoeting ben ik weer verrukt over hun glanzende schoonheid. En ik groet ze beleefd. Ik heb ook wel iets goed te maken. Als nieuwsgierig kind heb ik mij vroeger wel eens bezondigd aan wrede spelletjes met deze naakte wezentjes.

Nu was dat heel gewoon voor een dorpsjongen in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Zoals het ook de gewoonste zaak van de wereld was dat de sloot achter ons huis wemelde van kikkers, stekelbaarsjes en ander interessante schepseltjes. Een halve eeuw later, vind ik het opwindend kikkers aan te treffen in de eigen tuin. Maar, geloof me,  ik laat ze echt met rust. Over kikkers opblazen en nog veel meer gaat het nu volgende nostalgische gedicht.

ALS IK VIJFTIG WORD    

Als ik vijftig word
wil men een groot feest
maar ik wil vluchten
weer het jongetje zijn van twaalf  
dat over de akkers dwaalt
korenbloemen plukken
klaprozen margrieten
voor de loper van de
processie op Sacramentsdag
jaarlijks zo kunstzinnig
door onze zielenherder
in het kerkplein aangelegd.

Als ik vijftig word
wil men een groot feest
maar ik wil vluchten
naar de zolder op de
boerderij van oom Fried
stapels Panorama’s
lezen Donald Duck’s
stiekem snoepen van
de aan slingers geregen
gedroogde appelschijfjes
terwijl onbestemde verlangens
mij stil en zoetjes plagen.

Als ik vijftig word
wil men een groot feest
maar ik wil vluchten
naar mijn plekje achter
de schuur van ons huis
met poep geheime tekens
schrijven op de muur
plannen beramen om
kikkers op te blazen
en plechtig te begraven
en mij oprecht verbazen
om een onbegrepen leven.

Moeder

Moeder met Peter junior

Mijn moeder heeft langer mogen leven dan mijn vader, van 24 november 1912 tot 3 maart 1995. Ik heb mijn herinneringen aan haar in diverse gedichten verwoord, evenals die aan mijn vader trouwens.

MOEDER  

Wat zou ik er niet voor geven
met moeder uit fietsen te gaan

nog een keer het paadje te nemen
langs achter de tennisbaan

om aan de broekdijk gekomen
naar het dorpje N. af te slaan

tot bij de oude watermolen
waar in een donkere gaard

vervuld van merels en rozen
een lieflijk kapelletje staat

mijn moeder oogt blij en tevreden
haar blauwste zomerjurk aan

alles is nu zo volkomen om
nooit meer huiswaarts te gaan

waarom kan alleen nog in dromen
wat ooit ik beleefde bestaan?

Blijf maar!

Stiena en Nellie in de winkel

Op een dag reed ik met mijn zus M. door de Nuenense Parkstraat en werd  overvallen door de aanblik van een lege plek, waar ik mijn vroegere ouderlijk huis met winkel verwachtte. De sloper had net zijn werk gedaan. Er moest ruimte komen voor verdere uitbreiding van het winkelhart van mijn geboortedorp. Weer een tastbare herinnering uit mijn jeugd voorgoed verdwenen! Uit de schok om deze onverwachte confrontatie met de vergankelijkheid ontstond het gedicht Blijf Maar. De titel verwijst naar de in middenstandskringen welbekende uitroep, waarmee gezinsleden en andere intimi hun bezoek aankondigen bij het betreden van de winkel, als er geen klanten zijn. De winkelier weet dan dat hij of zij niet naar voren hoeft te komen.

‘Blijf maar!’ was de kreet

waarmee ik het alarm
van de winkelbel smoorde
als ik van school thuiskwam
voor de middagboterham

en doorliep naar de kamer
waar Moeder op mij wachtte.
De winkel en het huis
hebben ze afgebroken

en Moeder is al lang
bij Onze Lieve Heer.
Ik kan duizend maal
‘Blijf maar!’ roepen:

het helpt niet meer.

399C3204-5737-4117-8904-D7BBC0F3EB71.jpeg