Hergeboorte

B29523ED-B100-48FC-95A6-FED590359FB9

Als in het voorjaar de natuur rondom ons herleeft, ervaren we zelf ook iets van een wedergeboorte. De grote Russische dichteres Anna Achmátova (1889-1966) heeft in enkele subtiele regels beschreven hoe dit proces eigenlijk al kort vóór de lente zijn aanvang neemt.

Vlak voor de lente zijn er van die dagen:
Onder het dichte sneeuwdek rust de wei,
De bomen ritselen vol welbehagen,
Het zoele windje dartelt licht en vrij.

’t Verbaasde lichaam voelt zich als herboren,
En je herkent je eigen huis niet meer,
Het lied dat je zojuist niet kon bekoren,
Zing je opeens weer vurig als weleer.

Achmatova schreef dit heerlijke gedicht in 1915, één jaar nadat ze zo mooi en waardig geportretteerd was door de schilder Nathan Altman. (Zie boven.) Ze was toen dus 25 of 26 jaar oud. Toch lijkt het gedicht door een ouder iemand geschreven. Is het de verdoving van de lange Russische winter die het verlangen naar het voorjaar extra scherpte geeft? Veel Russen zullen zeggen dat ze de verschrikkingen voorvoelde die, gedurende een groot deel van de 20e eeuw, haar leven en dat van miljoenen anderen in de communistische ‘heilstaat’ tot een drama zouden maken.

Ik heb het bovenstaande gedicht ontleend aan de Bloemlezing van de Russische poëzie, een unieke verzameling uit het werk van 50 Russische dichters, samengesteld en vertaald door Marja Wiebes en Margriet Berg (Plantage, Leiden 1997).

 

 

Ik ga maar en ben

66EDD1EF-89E9-4D00-AB88-6CB5DF02058B

In een Utrechtse kraam met tweedehandsboeken vond ik een gaaf exemplaar van de in 1946 verschenen gedichtenbundel Onderaardsch van J.C. van Schagen (1891-1985). Slechts één euro vroeg de handelaar voor deze kleine schat. Met dichters als Guido Gezelle, Hans Lodeizen en Jan Hanlo heeft deze Domburgse bard mij in mijn puberjaren het wonder van de poëzie leren ontdekken. Hij was oorspronkelijk jurist en werd ook nog beeldend kunstenaar.

Ik vind het volkomen terecht dat Gerrit Komrij niet minder dan 6 gedichten van hem heeft opgenomen in zijn canon van de Nederlandse poëzie (uitgave 2004, deel I, blz. 819-822).

De meeste gedichten uit Onderaardsch hebben een plek gekregen in de bloemlezing Narrenwijsheid en ander onkruid uit 1961, dat in de boekenkast van mijn Nijmeegse studentenkamer prijkte. De gedichten en prozastukken van J.C. van Schagen vormen een mengeling van wijsgerige eenvoud, bittere zelfspot, peilloze melancholie, grenzeloze tederheid en een pantheïstisch geïnspireerde natuurliefde. Ik herkende, zo jong als ik was, in hem een soort zielsgenoot.

Uit zijn gedicht Confessio in media nocte: “Ik zeg bijna nooit meer wat ik denk,/ Want ik denk bijna nooit meer iets,/ Dat gezegd kan worden.” In het gedicht Timide zegt de dichter over zijn witte manchetten: “ze maken me een beetje verlegen/ het zijn zulke heren/ en ik ben maar een jongen.

In een bloemlezing van uitgeverij de Prom uit 1985 staat het gedichtje vriendje over de kortstondige ontmoetingen die de dichter ’s morgens vroeg soms heeft met een “kleine padde”. Ze groeten elkaar, maar eigenlijk heeft het diertje geen tijd: “probeert een beleefd hupje / dit is: nu niet meer storen“. Zelf schreef ik ook eens een versje over de ontmoeting tussen een pad en een …kikker.

Een kikker kruist een pad
Klein genoeg om op te eten
Wat ik wel zou willen weten:
Dóén kikkers met padden dat?