Overpeinzingen over dichten en dichterschap (2)

Waarom schrijft iemand gedichten?

Ik denk dat veel dichters die vraag niet zomaar kunnen beantwoorden. Ze zullen eerder geneigd zijn te vertellen, hoe ze er ooit toe gekomen zijn.

Bij mijzelf heeft het luisteren naar Franse chansons tijdens mijn middelbareschooltijd de liefde voor de poëzie wakker gemaakt. Ik zong ze op feestavonden van de school en schreef over mijn geliefde chansonniers, zoals Georges Brassens, Anne Sylvestre, Guy Béart, Jacques Brel, Barbara en Léo Ferré, in de schoolkrant. Als student kocht ik vervolgens mijn eerste dichtbundels en werd ik geraakt door het werk van o.a. Guido Gezelle, Leo Vroman, Jan Hanlo, Hans Lodeizen, Adriaan Morriën, JC van Schagen, Ida Gerhardt, Hans Faverey, Lucebert, JC Bloem, Gerrit Achterberg.

Door het lezen van deze dichters kreeg ik lust om ook zelf te gaan dichten. Het lezen van dichters die je aanspreken is misschien wel de beste manier om zelf te leren dichten. In hun voetsporen probeer je vervolgens je eigen stem en stijl te ontdekken, in het omvangrijke en veelstemmige koor van oude en nieuwe dichters. Het mooiste compliment dat ik na de publicatie van mijn eerste ‘serieuze’ dichtbundel (Als ik 50 word) kreeg, kwam van een collega die zei dat ze bij het lezen van mijn gedichten aldoor mijn stem hoorde. Dat was voor mij een enorme stimulans om ermee door te gaan.

Ik zal niet het record bereiken van de Amerikaanse dichter William Stafford, die vanaf zijn vijftigste niet minder dan 22.000 gedichten schreef, waarvan hij er circa 3000 publiceerde. Maar een duizend of wat hoop ik toch te halen. Waarom niet? Een tekenaar, beeldhouwer of schilder maakt immers ook zoveel mogelijk werk, dag in dag uit. Waarom zou een dichter dat ook niet doen? Ook het vertalen, in feite vaak herdichten, van werk van buitenlandse dichters vind ik een boeiende uitdaging. Gedichten van de Duitse dichter Hermann Hesse bijvoorbeeld, die het betreurde dat men liever zijn romans las dan zijn gedichten. Van hem wil ik tot besluit graag twee mooie uitspraken citeren, uit brieven aan een vriend, over het schrijven van gedichten.

Poëzie schrijf je voor jezelf, zonder ook maar een ogenblik aan de lezers te denken, terwijl men een roman alleen kan schrijven als men zich bij het schrijven een zekere voorstelling maakt van degenen die men wil aanspreken en van de middelen die daarbij effect sorteren.

Het schrijven van slechte gedichten kan iemand veel gelukkiger maken dan het lezen van de allermooiste.

(Wordt vervolgd)

Overpeinzingen over dichten en dichterschap (1)

Wanneer is iemand een dichter?

In het dagblad Trouw las ik ooit de uitspraak van de Amerikaanse dichter Christian Wiman: “Je moet jezelf geen dichter noemen. Dat is iets dat je nastreeft, niet iets dat je bent.
Een mooie gedachte. Maar legt Wiman de lat niet erg hoog? Je kunt met evenveel recht stellen dat iemand die één gedicht geschreven heeft al dichter genoemd kan worden.
Dat lijkt mij bijvoorbeeld het uitgangspunt van de jaarlijkse Turing Gedichtenwedstrijd. De eerste prijswinnaar in 2009, Gerwin van der Werf, won met het enige gedicht dat hij ooit schreef (om zich vervolgens te ontpoppen als een succesvol prozaschrijver.)
En bleek mijn acht jaar oude achternichtje Yara niet een dichter te zijn, toen ze mij op mijn verjaardag verraste met het volgende vers:

Nu is Leo 65 jaar.
Dat is een beetje jong.
En ook een beetje oud!

Mijn conclusie luidt dan ook: Je kunt er je hele leven lang naar streven een dichter te worden en het toch al, in meerdere of mindere mate, zijn.

(wordt vervolgd)