De beestenbende van Dirkje Kuik

Onlangs verwierven wij een fraaie cassette met gedichten en pentekeningen van Dirkje Kuik, die Deo volente volgend jaar tachtig zal worden. Ik zie in deze Utrechtse kunstenares een moedig voorbeeld (of ‘icoon’ zoals het tegenwoordig heet) van een mens die de eigen identiteit en integriteit boven alles stelt. Haar hele lange leven woont en werkt Dirkje Kuik in het ouderlijk huis aan de Oude Kamp, in het middeleeuwse hart van Utrecht, waar zij nog altijd bezig is haar eigen literaire en beeldende universum uit te breiden, in de vorm van gedichten, verhalen, litho’s, etsen, pentekeningen en aquarellen. In 1989 kocht ik van Dirkje zelf op de septemberkunstmarkt op het Janskerkhof -bestaat die markt nog?- een ets van Flora, de Romeinse godin van de lente en de bloemen. Hij kostte, meen ik, 100 gulden en ik ben er al 20 jaar gelukkig mee.

Het portfolio uit 2007 heet: Het album Beestenbende, 10 liedjes voor een tinnen soldaatje en is opgedragen aan de overleden geliefde Jo Nijenhuis, die van 1946-1950 ‘zeesoldaat’ was. Het bevat geheimzinnige, ontroerende tekeningen van diverse kruipende en vliegende schepselen, zoals de hier (met nadrukkelijke toestemming van Dirkje) afgebeelde padde en vliegend hert. Ook de gedichtencyclus is prachtig. Kenmerkend voor de auteur vind ik het versje dat als uitsmijter van de cyclus op het laatste colofonblad staat afgedrukt: Tenslotte/het dichtertje spreekt/Heeft u ook een kale/oom, een lekke neef,/een manke tante,/een ezel in de familie,/die gedichten schrijft,/ev. een blinde zus. Geert van Istendael schreef in 1997 in Ons Erfdeel over de ‘eilandjes van wanorde, liefelijke eigen wanorde, die Dirkje Kuik opwerpt tegen de haar omringende moerassen van Hollandse ordentelijkheid en hedendaagse hoogglans.’ Ook merkt hij op dat zij in een ander taalgebied wellicht een cultauteur was geworden. Zij zou dan de wereldroem delen, voeg ik eraan toe, van haar stadsgenoten Gerrit Rietveld en Dick Bruna.

Het ontcijferen van Kuik’s handschrift, even curieus als haar tekenhand, is een genoegen. Het inhoudelijk doorgronden van de teksten vergt de nodige eruditie. Zo lijkt Dirkje Kuik zich in diverse gedichten te herkennen in de rouw van de elegische Romeinse dichter Sextus Propertius (uit de eerste eeuw voor Christus) om zijn geliefde Cynthia. Zij spreekt vanuit haar graf: ‘Niet langer treuren Sextus/aan mijn graf, ik bid./Geen god of goed opent deze deur/geen bootsman die het hoort.’ Andere namen die in de cyclus rondzweven zijn die van Stevie Smith, Edgar Tytgat, Nerval, Poeskin. ‘De doden dwingen/ze wensen zich geen rust’ is ook zo’ n versregel waar je adem bij stokt. Maar ook zonder het bezit van alle erin verborgen literaire en historische kennis, werken de beelden in de gedichten niet minder betoverend dan de tekeningen.

Na de maaltijd

IMG_2260

De Aardappeleters staan bekend als het belangrijkste schilderij van Vincent van Gogh uit zijn Nuenense periode (1883-1885). Het ging de gedreven kunstenaar natuurlijk niet om de aardappels op zich. Begin mei 1885 schreef hij aan zijn broer Theo dat hij de ‘koppen’ van het etende boerengezin al af had, ‘maar ik heb ze grif overgeschilderd, zonder genade, en de kleur waar ze nu mee geschilderd zijn is zowat de kleur van een goed stoffige aardappel, ongeschild natuurlijk.’ De laatste toevoeging werkt onbedoeld wat komisch, omdat geschilde aardappels als regel niet de kans krijgen om stoffig te worden. Aan de afbeelding van deze ‘luitjes, die bij hun lampje hun aardappels eten’ (Vincents woorden in een andere brief) dankt Van Gogh zijn nog immer stijgende wereldroem. Maar hoe is het die ‘luitjes’ eigenlijk vergaan?

NA DE MAALTIJD

Waar luxe huizen zijn verrezen
langs fraai beplante buitendreven
ploeterden ooit boeren en boerinnen,
vereeuwigd in zijn tekeningen.

Zij leefden van wat Brabants aarde
armzalig aan gewassen baarde.
Zij weefden in benauwde huisjes,
vergingen onder houten kruisjes.

Vincent van Gogh blijft onvergeten.
Maar die hij aardappelen zag eten:
wat is van hun bestaan gebleven
dan wat tot Kunst is opgeheven?