Geloof je het zelf?

060 tiflis
Masker uit Georgië

Eeuwen geschiedenis leren ons tot op de dag van vandaag dat geloof mensen kan inspireren tot het verrichten van de hoogste weldaden en het bedrijven van de laagste wandaden. Een Amerikaanse filosofe deed onlangs in een interview de opmerkelijke uitspraak: “Godsdienst maakt goede mensen beter en slechte mensen slechter.” Op het eerste gezicht vond ik dit wel een verhelderende gedachte. Maar is de scheidslijn tussen good en bad guys (en girls) wel zo scherp te trekken als deze bewering suggereert? Een beetje introspectie leert wel anders. Hoe zit het met God zelf?, vroeg ik mij in een mismoedige bui af.

THEODICEE

de mensheid
zwaait al tijden
met een witte vlag

maar de duivel
zet onverstoorbaar
zijn werkzaamheden voort

en god lijkt
ergens anders
mee bezig

Nog een titaan

lindeboom nunen

Mijn geboortedorp Nuenen mag dankzij Van Gogh een zekere wereldfaam genieten, als kind was ik veel meer onder de indruk van een andere beeldbepalende gigant: de eeuwenoude lindeboom, die hoog boven de dorpskern uittorende. De regelmatige aanblik van deze reusachtige etagelinde, die tussen 1400 en 1600 geplant zou zijn en een stamomtrek bereikte van 6,5 meter, heeft ongetwijfeld bijgedragen aan mijn fascinatie voor bomen.

Een prachtig boek over oude bomen in het Verenigd Koninkrijk (Meetings with remarkable trees van Thomas Pakenham) maakte mij opmerkzaam van het feit dat bomen als de Nuenense dorpslinde de oudste levende wezens op deze planeet zijn. Daarom moeten we ze koesteren, deze wonderen uit vroeger tijden waaraan we vaak zo vanzelfsprekend voorbijgaan. De Nuenense bevolking was zich kennelijk van het wonder bewust getuige de kop van een door mij zorgvuldig bewaard bericht van 28 december 1994 uit een landelijk ochtendblad: Nuenen in tranen om doodzieke lindeboom.

Hierin werd vermeld dat diezelfde avond officieel afscheid zou worden genomen van de ernstig door de tonderzwam aangetaste boom. De burgemeester zou de boom toespreken, waarna diverse plaatselijke muziekkorpsen onder de boom afscheidsmarsen ten gehore zouden brengen. Daarna kon het kapwerk beginnen. Ik neem aan dat dit programma volgens plan is uitgevoerd.

Toch bleef er na het sloopwerk een nog altijd imposante stam over, omkranst met takken waaraan elk voorjaar nieuwe blaadjes ontspruiten. Zoals een dorpsbewoner het treffend uitdrukte: de voormalige etagelinde is een prieellinde geworden. Mijn eigen relatie met de boom heb ik in het volgende gedicht beschreven.

AAN EEN TITAAN

In het dorp waar ik eens woonde
stond een grote lindeboom
die de roem van eeuwen toonde
met een metershoge kroon.

Reeds de oudsten der Germanen
kwamen onder hem bijeen
om het volk tot deugd te manen
en men hing er wel eens een.

In mijn eigen jongensjaren
hield de boom mij in zijn ban.
Het is moeilijk te verklaren
wat zo’n boom betekenen kan.

Kwam het door zijn reuzenomvang
of de rimpels in zijn bast?
Of was ik er stiekem bang van
dat hij onverklaarbaar was?

Maar, helaas, de boom is heden
niet meer wat hij is geweest.
Slechts een stronk is nog gebleven
van wat bemind werd en gevreesd.

Eeuwen was de boom een baken
in de oceaan der tijd.
Door dit vers voor hem te maken
werd zijn ondergang een feit.

En dan die arme kikkers…

A3981628-7494-4F23-B6D8-F3E83B1F1C4E

Onze met botanische plantensoorten gevulde stadstuin biedt een goed leefmilieu voor kikkers. Bij elke vluchtige ontmoeting ben ik weer verrukt over hun glanzende schoonheid. En ik groet ze beleefd. Ik heb ook wel iets goed te maken. Als nieuwsgierig kind heb ik mij vroeger wel eens bezondigd aan wrede spelletjes met deze naakte wezentjes.

Nu was dat heel gewoon voor een dorpsjongen in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Zoals het ook de gewoonste zaak van de wereld was dat de sloot achter ons huis wemelde van kikkers, stekelbaarsjes en ander interessante schepseltjes. Een halve eeuw later, vind ik het opwindend kikkers aan te treffen in de eigen tuin. Maar, geloof me,  ik laat ze echt met rust. Over kikkers opblazen en nog veel meer gaat het nu volgende nostalgische gedicht.

ALS IK VIJFTIG WORD    

Als ik vijftig word
wil men een groot feest
maar ik wil vluchten
weer het jongetje zijn van twaalf  
dat over de akkers dwaalt
korenbloemen plukken
klaprozen margrieten
voor de loper van de
processie op Sacramentsdag
jaarlijks zo kunstzinnig
door onze zielenherder
in het kerkplein aangelegd.

Als ik vijftig word
wil men een groot feest
maar ik wil vluchten
naar de zolder op de
boerderij van oom Fried
stapels Panorama’s
lezen Donald Duck’s
stiekem snoepen van
de aan slingers geregen
gedroogde appelschijfjes
terwijl onbestemde verlangens
mij stil en zoetjes plagen.

Als ik vijftig word
wil men een groot feest
maar ik wil vluchten
naar mijn plekje achter
de schuur van ons huis
met poep geheime tekens
schrijven op de muur
plannen beramen om
kikkers op te blazen
en plechtig te begraven
en mij oprecht verbazen
om een onbegrepen leven.